Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
01/6201 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is ten materiële in geschil of gedaagde terecht het bedrag van de uitkering ter zake van niet opgenomen vakantiedagen op de bijstandsuitkering van appellante in mindering heeft gebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet
Algemene bijstandswet 26
Algemene bijstandswet 42
Algemene bijstandswet 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/260
JWWB 2004, 229
RSV 2004, 250

Uitspraak

01/6201 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, op de bij het beroepschrift en bij twee aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 november 2001, reg.nr. 00/3792 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 april 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat, mede gelet op de gedingstukken, uit van de volgende feiten.

Appellante ontvangt sinds 1 juni 1989 een bijstandsuitkering naar de norm voor een één-oudergezin.

Met ingang van 18 maart 1996 is appellante voor 8 ¾ uur per week als schoonmaakster in dienst getreden bij Aktief Dienstverlening te Zoetermeer. Met ingang van 2 september 1996 is zij daar 11 ¾ uur per week gaan werken. Op 27 oktober 1997 is zij arbeids-ongeschikt geworden. Nadat zij gedurende twee jaren arbeidsongeschikt was geweest, is zij ontslagen. In verband daarmee heeft zij van haar werkgever in december 1999 dan wel in januari 2000 een uitkering van f 816,01 netto ontvangen ter zake van niet opgenomen vakantiedagen.

Appellante heeft die inkomsten in januari 2000 aan gedaagde gemeld, waarna gedaagde deze bij de uitbetaling van de bijstandsuitkering over februari 2000 als middelen in aanmerking heeft genomen en een bedrag van f 816,01 op de uitkering in mindering heeft gebracht.

Bij het bestreden besluit van 24 maart 2000 heeft gedaagde, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, het namens appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 maart 2000 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is ten materiële in geschil of gedaagde terecht het bedrag van de uitkering ter zake van niet opgenomen vakantiedagen op de bijstandsuitkering van appellante in mindering heeft gebracht.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand, indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Ingevolge artikel 42, eerste volzin, van de Abw worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, tot de middelen gerekend. Dit is slechts anders, indien sprake is van een van de in artikel 43, tweede lid, van de Abw opgenomen uitzonderingen.

In hoger beroep heeft appellante in dit verband gewezen op artikel 43, tweede lid, aanhef en onder l (lees: m), van de Abw. Op grond van die bepaling worden inkomsten uit arbeid tot een bepaalde hoogte en onder bepaalde omstandigheden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.

Artikel 641, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een werk-nemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak.

De onderhavige uitkering aan appellante ziet op haar aanspraak op vakantie gedurende de laatste twee jaren van haar dienstverband (in welke periode zij wegens arbeids-ongeschiktheid niet werkte). Die aanspraak kon eerst bij het einde van de arbeidsovereenkomst geldend worden gemaakt. De uitkering betreft daarmee inkomsten in verband met arbeid en niet uit arbeid, zoals artikel 43, tweede lid, aanhef en onder m, van de Abw voorschrijft. Dat de wetgever in de Abw een dergelijk onderscheid heeft willen maken, blijkt uit de - duidelijke - bewoordingen van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw.

Gelet op het complementaire karakter van de Abw ziet de Raad geen ruimte om aan een uitzonderingsbepaling als artikel 43, tweede lid, van de Abw een strekking toe te kennen die ruimer is dan die waartoe de tekst van de bepaling aanleiding geeft. Dit betekent dat, anders dan appellante heeft betoogd, de uitzondering van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder m, van de Abw zich in haar geval niet voordoet. Gedaagde heeft de uitkering ter zake van niet opgenomen vakantiedagen ook terecht - volledig - op haar bijstands-uitkering in mindering gebracht.

Naar aanleiding van de grief dat gedaagde in bezwaar ten onrechte van het horen van appellante heeft afgezien overweegt de Raad het volgende.

In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde van appellante als enige bezwaargrond aangevoerd dat appellante bezwaar maakt "betreffende de inhouding van inkomen uit arbeid op haar uitkering over de periode februari 2000, omdat zij van mening is dat die inkomsten betrekking hebben op de periode voordat zij een [bijstands]uitkering ontving". Het bezwaarschrift eindigt met "Ondergetekende ontvangt graag van u een beslissing m.b.t. het door u teruggevorderde bedrag over de periode februari 2000.".

Uit het bezwaarschrift blijkt, aldus, niet dat de gemachtigde van appellante voornemens was nadere bezwaargronden aan te voeren. Nu bovendien de enige bezwaargrond evident onjuist was (appellante ontvangt immers reeds sinds 1 juni 1989 een bijstandsuitkering), heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

EK2505