Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
01/4732 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Is onvoldoende rekening gehouden met de medische toestand van betrokkene, heeft zij meer beperkingen dan gedaagde heeft aangenomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/4732 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. E.P.S. van Bavel, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 juli 2001, nr. 00/1219 WAO K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 16 april 2004, waar partijen -appellante met kennisgeving- niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante is vanaf 1983 werkzaam geweest als medewerkster bij Rabobank [vestigingsplaats] gedurende 16 uur per week. Nadat zij deze werkzaamheden op 4 februari 1998 wegens rugproblematiek en surmenageklachten had gestaakt heeft gedaagde met ingang van 9 januari 1999 aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO) toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan deze toekenning ligt een medische beoordeling ten grondslag volgens welke appellante als gevolg van chronische rugklachten en een reactief depressief beeld vooralsnog geen duurzaam benutbare mogelijkheden had.

Bij besluit van 5 april 2000 heeft gedaagde de aan appellante toegekende uitkering met ingang van 6 juni 2000 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke bij appellante sprake is van beperkingen ten aanzien van het ruggebruik en daarnaast in verband met een licht verminderde handfunctie. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid tot het verrichten van een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ongeveer 32%.

Naar aanleiding van de namens appellante tegen dit besluit aangevoerde bezwaren is zij op verzoek van gedaagde onderzocht door de klinisch psycholoog drs. M.P. Steger. In zijn rapport van 3 oktober 2000 is deze deskundige tot de slotsom gekomen dat bij appellante sprake is van een chronische psychopathologie, die als licht tot matig wordt ingeschat, omdat de invloed van psychische factoren beperkt blijft tot de relatieproblematiek voortvloeiend uit de bipolaire stoornis van de echtgenoot van appellante. Op grond van deze bevindingen is volgens de klinisch psycholoog de psychische belastbaarheid van appellante beperkt ten aanzien van taken onder tijds- en tempodruk en conflicterende werksituaties. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens aanvullende beperkingen voor appellante vastgesteld voor tijds- en tempodruk en conflicterende functie eisen. Rekening houdend met deze aanvullende beperkingen bleken twee van de drie aan appellante voorgehouden functies niet langer voor haar geschikt te achten. Gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige heeft daarop een viertal andere functies geduid welke wat betreft aard en belasting grotendeels in het verlengde zouden liggen van de aanvankelijk voorgehouden functies. Gelet op de verdiencapaciteit in deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op ongeveer 31%.

Bij beslissing op bezwaar van 15 november 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde rapportages van de bezwaar verzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 april 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om de medische advisering onzorgvuldig te achten, nu daaruit blijkt dat alle door appellante genoemde fysieke en psychische klachten bij de beoordeling en vaststelling van de beperkingen zijn betrokken.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische toestand en dat voor haar meer beperkingen gelden dan gedaagde heeft aangenomen.

De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of gedaagde de per 6 juni 2000 voor appellante geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid juist heeft vastgesteld. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts heeft weliswaar rekening gehouden met de door de klinisch psycholoog Steger aangegeven psychische beperkingen ten aanzien van tijds- en tempodruk en conflicterende werksituaties, doch is er daarbij, blijkens zijn rapportage en de beoordeling van de voorgehouden functies, vanuit gegaan dat tempo- en tijdsdruk alleen in combinatie gecontraïndiceerd zijn en dus niet afzonderlijk, mits die druk niet voortdurend hoog of streng is, en heeft ten aanzien van conflicterende werksituaties aangegeven dat alleen een beperking geldt voor conflicterende functie-eisen. De Raad is van oordeel dat aldus de door de klinisch psycholoog aangegeven beperkingen niet juist althans niet volledig zijn opgenomen in het belastbaarheidspatroon. Ten aanzien van tempo- en tijdsdruk vermag de Raad uit voornoemd rapport van de klinisch psycholoog namelijk niet af te leiden dat deze aspecten alleen in combinatie gecontraïndiceerd zijn, nu het rapport geen enkele aanwijzing voor die conclusie bevat. Derhalve dient ervan uitgegaan te worden dat voor deze beide aspecten ook afzonderlijk een beperking dient te gelden. Verder is de Raad van oordeel dat de beperking ten aanzien van conflicterende werksituaties niet volledig is verwoord in het

belastbaarheidspatroon door alleen een beperking voor conflicterende functie-eisen op te nemen en niet voor het aspect conflicthantering. Laatstgenoemd aspect hangt naar het oordeel van de Raad, zeker in de in dit geval geselecteerde functies waarin regelmatig contact met klanten of patiënten aan de orde is, onlosmakelijk samen met het meer algemene begrip conflicterende werksituaties. In ieder geval kan op grond van het rapport van de klinisch psycholoog niet aangenomen worden dat diens opmerking over conflicterende werksituaties alleen betrekking zou hebben op conflicterende functie-eisen.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat in het voor appellante opgestelde belastbaarheidspatroon onvoldoende rekening is gehouden met alle voor haar geldende beperkingen. Voorts moet de Raad vaststellen dat rekening houdend met afzonderlijke beperkingen voor tempo- en tijdsdruk en een beperking voor conflicthantering in de aanvankelijk voorgehouden functie van receptioniste/gastvrouw en de nader voorgehouden functies medewerker debiteuren en secretaresse verpleegafdeling sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellante, zodat deze functies niet geschikt geacht kunnen worden voor haar. Dit betekent dat het bestreden besluit gebaseerd is op een onjuiste medische grondslag en dat onvoldoende functies resteren om de schatting te kunnen dragen, zodat dit besluit reeds op deze gronden niet in stand kan blijven.

Voorts merkt de Raad nog op dat het bestreden besluit ook op arbeidskundige gronden niet in stand had kunnen blijven. Uit de door gedaagde overgelegde gegevens ten aanzien van de nader geduide functies medewerker debiteuren en secretaresse verpleegafdeling kan, daargelaten nog de vraag of deze functies geacht kunnen worden te liggen in het verlengde van de aanvankelijk voorgehouden functies, niet afgeleid worden dat deze functies, met de vermelde belasting en loonwaarde, op 6 juni 2000 bestonden, nu deze functies kennelijk eerst na deze datum zijn beschreven in het Functie informatiesysteem, althans daarin zijn geactualiseerd. Voorts is gebleken dat de functie medewerker telefoonpost in wisselende diensten wordt verricht, terwijl door gedaagde niet is onderzocht of in het uurloon voor deze functie een toeslag voor afwijkende arbeidstijden is opgenomen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en het -daarbij gehandhaafde- bestreden besluit niet in stand kunnen blijven en dat het inleidend beroep gegrond verklaard dient te worden. Gedaagde dient met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J. Grauss.