Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0471

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
02-06-2004
Zaaknummer
01/3390 WAOCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geoordeeld dat betrokkene in staat was zijn eigen werkzaamheden volledig te verrichten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/3390 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], thans wonende te [woonplaats] (Spanje), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 mei 2001, nummer 00/969 WAO K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 maart 2004, waar appellant, zoals tevoren was bericht, zich niet heeft doen vertegenwoordigen, en waar namens gedaagde is verschenen A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als "eiser" en gedaagde als "verweerder" is aangeduid ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser, geboren [in] 1950, is werkzaam als teamleider bij de Belastingdienst Ondernemingen Roermond te Roermond. Op 15 februari 1999 is eiser (voor 50%) ongeschikt geworden wegens chronische vermoeidheid, pijnen en concentratieproblemen.

Op 8 december 1999 heeft eiser aan verweerder verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 9 januari 2000 maakt eiser melding van een verslechtering van zijn gezondheidstoestand. De verzekeringsarts J. Zijlema heeft op 22 februari 2000 een medisch onderzoek verricht en daarover een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts heeft op basis van onderzoek van eiser aangegeven welke medische beperkingen eiser ondervindt bij het verrichten van werkzaamheden.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J. Mevis aan eiser meegedeeld, dat deze, met inachtneming van vermelde beperkingen, in staat wordt geacht zijn eigen werkzaamheden volledig te verrichten. Er is geen sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. De arbeidsdeskundige adviseert verweerder om eiser niet arbeidsongeschikt te beschouwen. Overeenkomstig dit advies heeft verweerder het besluit van 17 maart 2000 genomen. Tegen dit besluit heeft eiser op 20 april 2000 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van

26 juni 2000 zijn de gronden van het bezwaar ingediend. Daarbij is aangegeven dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Verder is aangegeven dat geen informatie van de reumatoloog

H. van der Tempel bij de beoordeling is betrokken. Bijgevoegd is een tweetal brieven van Van der Tempel d.d. 19 mei 2000 met als bijlage een schrijven d.d. 22 december 1999 waarin deze concludeert tot een tendinomyogeen probleem. Verder is als bijlage bijgevoegd een schrijven d.d. 17 april 2000 van de revalidatie-arts J. Cluitmans te Hoensbroek. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts

H. Stammers op 25 september 2000 gerapporteerd en geconcludeerd dat wat betreft de belastbaarheid van eiser er bij de omschrijving van de belastbaarheid rekening is gehouden met de aard en ernst van de stoornissen en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Van de mogelijkheid om op de hoorzitting het bezwaar toe te lichten heeft eiser geen gebruik gemaakt."

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 12 oktober 2000, verder: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat de bezwaarverzekeringsarts bij het nemen van het besluit ten onrechte een rapport van 12 september 2000 van de psychiater

A.M.A. de Groot niet heeft betrokken, welk rapport in bezwaar door appellant was overgelegd.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat zij, in aanmerking genomen de jurisprudentie van de Raad inzake het arbeidsongeschiktheidsbegrip van de WAO, van oordeel is dat niet is gebleken dat de medische beoordeling onjuist is en dat er onvoldoende aanleiding is om een arbeidsurenbeperking in aanmerking te nemen.

In hoger beroep is namens appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

De Raad overweegt het volgende.

Appellant is op verzoek van de Raad onderzocht door de psychiater A.M. van Nispen tot Pannerden. In zijn rapport van 11 november 2003 heeft deze psychiater naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd en naar behoren medisch gemotiveerd aangegeven dat appellant een als gebrek te kwalificeren neurotische ontwikkelingstoornis heeft. Voorts geeft hij onderbouwd aan dat appellant na 1992 is gedecompenseerd, dat de lichamelijke klachten ernstig zijn toegenomen en dat ook depressieve klachten zijn ontstaan.

De Raad neemt deze conclusie van zijn deskundige met betrekking tot het bestaan van een psychische ziekte of gebrek bij appellant over maar is tevens van oordeel dat de beperkte inzetbaarheid van appellant voor zijn werk als teamleider, waartoe de deskundige ten tijde van de datum in geding heeft geconcludeerd, onvoldoende met redenen is omkleed. De deskundige heeft ook aangegeven dat een uitspraak over de exacte belastbaarheid van appellant achteraf niet goed te geven is.

Dit heeft de Raad tot de conclusie geleid dat, nu de verzekeringsarts Zijlema (en in diens voetspoor de bezwaarverzekeringsartsen) geen psychische ziekte of gebrek bij zijn oordeelsvorming heeft vastgesteld en in aanmerking heeft genomen -Zijlema heeft uitsluitend arbeidsbeperkingen in verband met een chronische myotendinogene aandoening vastgesteld-, gedaagde op een onjuiste medische grondslag het bestreden besluit heeft voorbereid en genomen, zodat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van dat besluit in stand heeft gelaten.

De Raad is van oordeel dat thans in de eerste plaats gedaagde zich dient te beraden of genoemde psychische ziekte of gebrek noodzaakt tot het aannemen van verdergaande arbeidsbeperkingen dan die gedaagde reeds heeft aangenomen en, zo ja, tot welke. Voorts zal gedaagde dienen te bezien of en, zo ja, welke gevolgen dit heeft voor appellants geschiktheid voor het eigen werk of voor andere werkzaamheden en of zulks op de datum in geding tot aanspraken op een uitkering ingevolge de WAO leidt.

De Raad zal daarom gedaagde opdragen met inachtneming van deze, 's Raads, uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Ter voorlichting van appellant meent de Raad er goed aan te doen reeds nu op te merken dat het vorenstaande niet inhoudt dat gedaagde thans zonder meer gehouden is om in voor appellant gunstige zin te beslissen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

Deze worden begroot op:

€ 322,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand;

€ 735,65 voor in hoger beroep door de partijdeskundige Busard aan appellant uitgebrachte rapporten;

€ 200,- voor reiskosten van appellant ten behoeve van het onderzoek van de partijdeskundige Busard en de deskundige Van Nispen tot Pannerden.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 12 oktober 2000 in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 1257,65 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 77,14,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.

(get.) T.R.H. van Roekel.

(get.) K.J.S. Spaas

MR