Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
01/5713 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Premievrij pensioen; sprake van een uit dienstbetrekking genoten voordeel dat in het maatmaninkomen hoort te worden opgenomen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/207
RSV 2004, 210

Uitspraak

01/5713 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 10 februari 2000 heeft appellant met ingang van 7 december 1999 aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij besluit van 4 september 2000 heeft appellant het door gedaagde tegen het besluit van 10 februari 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft het namens gedaagde door mr. A.M. Boogaart, advocaat te Groningen, ingestelde beroep tegen het besluit van 4 september 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 21 september 2001, kenmerk: 00/774 WAO P06 G12, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2004, waar voor appellant is verschenen mr. P.G. Koch, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Boogaart, voornoemd.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden besluit heeft appellant aan gedaagde met ingang van 7 december 1999 een uitkering toegekend ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Daarbij is appellant ervan uitgegaan dat gedaagde, die wegens een CTS en (toegenomen) cognitieve klachten is uitgevallen uit zijn functie als loketmedewerker in dienst van de Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS), weliswaar niet meer geschikt is voor dat eigen werk, maar met diverse andere loondienstfuncties nog een zodanig inkomen kan verdienen dat ten opzichte van het maatgevende inkomen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 74.7%, overeenkomend met indeling in de klasse 65 tot 80%.

Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting, stelt de Raad vast dat partijen in dit geding uitsluitend verdeeld worden gehouden door de vraag of appellant bij de berekening van het bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen maatgevende inkomen van gedaagde, terecht geen rekening heeft gehouden met het voordeel dat gedaagde uit zijn dienstbetrekking bij de NS stelt te hebben genoten als gevolg van het feit dat hij geen premie heeft hoeven te betalen voor zijn pensioenopbouw. Van de zijde van gedaagde is erop gewezen - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat het alsnog meenemen van bedoeld voordeel ertoe zou kunnen leiden dat gedaagde in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse moet worden ingedeeld. Daarin is het belang van gedaagde gelegen.

Appellant heeft bij zijn standpuntbepaling in het bijzonder van belang geacht dat ten tijde hier van belang het onderhavige pensioenfonds, zijnde het Spoorwegpensioenfonds, in verband met zijn gunstige financiële positie zowel de werkgever als de werknemer volledig had vrijgesteld van premiebetaling. Ter bepaling van het maatmaninkomen kunnen, aldus appellant, uitsluitend die voordelen uit een dienstbetrekking worden meegenomen, die voortvloeien uit een inspanning van de desbetreffende werkgever. Nu als gevolg van voornoemde premievrijstelling van een dergelijke werkgeversinspanning - in de vorm van een zekere werkgeversbijdrage in de pensioenpremie - in het onderhavige geval geen sprake is, is er naar de zienswijze van appellant geen sprake van een voordeel uit gedaagdes dienstbetrekking dat onderdeel dient uit te maken van het maatmaninkomen. Los daarvan zou, zo heeft appellant naar voren gebracht, nu van premiebetaling (door de werkgever) geen sprake is, het ook niet wel mogelijk zijn om te bepalen hoe groot het in het maatmaninkomen mee te nemen voordeel van gedaagde zou zijn.

De rechtbank heeft zich met de hiervoor weergegeven benadering van appellant niet kunnen verenigen. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank overwogen dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen in beginsel alle voordelen die uit dienstbetrekking worden genoten in aanmerking moeten worden genomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het voor haar vast staat dat gedaagde een voordeel uit dienstbetrekking heeft doordat hij geen pensioenpremie behoeft te betalen. Niet van belang acht de rechtbank of de werkgever daadwerkelijk premie moet betalen aan een pensioenfonds. Ook in de enkele omstandigheid dat de pensioenpremie niet (precies) valt vast te stellen is naar het oordeel van de rechtbank geen reden gelegen om het door de werknemer genoten voordeel buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van het maatmanloon. Appellant kan immers, aldus de rechtbank, de werkgeversbijdrage vaststellen op een bedrag, hetwelk naar schatting door de werkgever gestort zou moeten worden, indien er wel een bijdrage zou zijn verschuldigd aan het pensioenfonds.

Appellant heeft zijn hiervoor weergegeven standpunt in hoger beroep herhaald.

De Raad ziet het hoger beroep van appellant geen doel treffen. De Raad kan zich volledig vinden in de hiervoor weergegeven overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Ook voor de Raad staat vast dat als gevolg van het premievrije pensioen voor gedaagde sprake is van een uit zijn dienstbetrekking met de NS voortvloeiend voordeel dat, gelijk andere voordelen uit dienstbetrekking, in beginsel thuishoort in het maatmaninkomen. De door appellant benadrukte opvatting dat aan meenemen van dat voordeel in het maatgevende inkomen in het onderhavige geval in de weg staat de omstandigheid dat het voordeel niet berust op een inspanning van de werkgever NS, maar op een beleidskeuze van het Spoorwegpensioenfonds - waarmee volgens appellant gegeven zou zijn dat geen sprake is van een voordeel uit gedaagdes dienstbetrekking - wordt door de Raad niet onderschreven. Vast staat immers dat gedaagde zonder zijn dienstbetrekking met de NS bedoeld voordeel, bestaande uit premievrije opbouw van zijn pensioen, niet zou hebben genoten. Daaraan verbindt de Raad als conclusie dat wel degelijk sprake is van een voordeel dat uit gedaagdes dienstbetrekking voortvloeit en dat, voor de beantwoording van de hier voorliggende rechtsvraag of het dient te worden meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen, geacht moet worden uit hoofde van die dienstbetrekking aan gedaagde te zijn verleend door zijn werkgever.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij, eveneens in navolging van de rechtbank, ervan uitgaat dat bepaling van de hoogte van het mee te nemen voordeel wellicht niet eenvoudig, maar anderzijds ook zeker niet onmogelijk is. Desgevraagd heeft ook appellants gemachtigde ter zitting (als nader standpunt) te kennen gegeven dat met enige goede wil dit voordeel - schattenderwijs - (toch wel) kan worden bepaald.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Naar aanleiding van het namens gedaagde gedane verzoek tot vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente over achterstallige uitkeringsbedragen, overweegt de Raad het volgende. Met het hiervoor overwogene is niet zonder meer gegeven dat gedaagde aanspraak zal kunnen maken op een hogere uitkering dan de hem reeds toegekende uitkering, welke is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant zal dienaangaande een nader besluit moeten nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over bedoeld verzoek uit te spreken. Appellant zal bij het nemen van een nader besluiten tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om de verzochte renteschade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.