Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
02/2214 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar; verzoek verlenging termijn gronden bezwaar; reglement behandeling bezwaarschriften

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2214 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 maart 2002, nummer Awb 01/586, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 maart 2004, waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant met "verweerder" en gedaagde met "eiseres" wordt aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten:

"Bij brief, gedateerd 23 maart 2001, heeft de gemachtigde van eiseres een voorlopig bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 3 april 2001 heeft verweerder de ontvangst daarvan bevestigd. In die brief is aan de gemachtigde medegedeeld dat hij binnenkort de stukken zal ontvangen en dat hij dan in de gelegenheid zal worden gesteld om de gronden in te dienen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet eerder dan bij brief van 6 juli 2001 die stukken aan de gemachtigde van eiseres heeft toegezonden. Bij die brief is de gemachtigde verzocht om binnen vier weken na dagtekening de gronden aan te geven. Daarbij is aangegeven dat een verzoek om verlenging niet zal worden gehonoreerd.

Van de stukken en van de hem geboden termijn heeft de gemachtigde van eiseres eerst kunnen kennis nemen na terugkeer van zijn vakantie op 30 juli 2001. De gemachtigde heeft vanwege die vakantie verweerder per fax van 31 juli 2001 verzocht hem alsnog uitstel te verlenen van vier weken. Als dit verzoek niet zou kunnen worden gehonoreerd dan wordt verweerder verzocht daarvan voor 3 augustus 2001 mededeling te doen.

Blijkens de stukken heeft verweerder pas op 10 augustus 2001 aan het einde van de middag telefonisch aan de gemachtigde meegedeeld dat verlenging niet mogelijk is en dat het bezwaarschrift om die reden niet-ontvankelijk zal worden verklaard."

Bij het bestreden besluit van 5 september 2001 heeft appellant het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat gedaagde de gronden van het bezwaar niet tijdig heeft aangevoerd.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant de stukken drie maanden na de ontvangstbevestiging aan de advocaat van gedaagde heeft toegezonden met een termijnstelling voor de indiening van de gronden van vier weken. De advocaat was toen net op vakantie gegaan en heeft direct na terugkeer daarvan en voor het verstrijken van de termijn om een aanvullend uitstel gevraagd en daarbij verzocht tijdig te reageren. Die tijdige reactie is door appellant niet gegeven.

Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

In hoger beroep voert appellant aan dat in de brief van 6 juli 2001, waarmee de stukken aan de advocaat van gedaagde zijn toegezonden, expliciet was vermeld dat een verzoek om verlenging van de termijn voor het inzenden van de gronden niet zou worden gehonoreerd. Hoewel appellant erkent dat hij niet tijdig op het verzoek om een aanvullend uitstel heeft gereageerd, is appellant van oordeel dat de advocaat van gedaagde had kunnen voorzien dat het verzoek niet zou worden gehonoreerd. Voorts had de advocaat volgens appellant na terugkeer van vakantie nog een paar dagen de tijd om tijdig de gronden in te dienen en ook om die reden niet om uitstel behoeven te vragen.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven om anders te oordelen over het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gedaan.

De Raad is van oordeel dat de advocaat van gedaagde, die zich na terugkeer van vakantie, niet voorzienbaar, geconfronteerd zag met de stukken en een bijna verlopen termijn voor het indienen van de gronden, zich niet zonder recht op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij een aanvullend uitstel nodig had om gefundeerde bezwaargronden te kunnen indienen.

Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagdes advocaat zich niet zonder recht op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarvoor ook nog een bespreking met gedaagde nodig was.

De stelling van appellant dat de advocaat van gedaagde desnoods maar een begin van inhoudelijke gronden had moeten indienen voor het einde van de termijn, miskent alleen al dat het ook een belang van appellant is om aan de hand van gefundeerde bezwaargronden een beslissing op bezwaar te kunnen afgeven.

Voorts merkt de Raad op dat in de mededeling M 00.137 van 19 december 2000 van gedaagde aan de uitvoerings- instellingen waarbij het hier van toepassing zijnde Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2001 is toegezonden, weliswaar is vermeld dat de standaard mogelijkheid van verlengingen is komen te vervallen maar dat artikel 5 van genoemd reglement niet verhindert dat een bezwaarmaker in een individueel geval een gemotiveerd verzoek om verlenging van een termijn voor het indien van gronden doet en dat daarop in het kader van de hantering van de bevoegdheid van artikel 6:6 van de Awb dient te worden beslist onder afweging van de betrokken belangen.

Gelet op het hiervoor overwogene en mede in aanmerking genomen dat niet is kunnen blijken van enig als zwaarwegend te waarderen belang aan de kant appellant om het gevraagde uitstel niet te verlenen, is ook de Raad van oordeel dat appellant in dit specifieke geval bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik had behoren te maken van de bevoegdheid om het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk te verklaren.

Daarom komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.

Deze worden begroot op € 322,- voor de kosten van in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.