Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
00/1565 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling maatman en maatmaninkomen

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/233 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1565 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 augustus 1998 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de uitkeringen van appellante ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 1 december 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van eveneens 20 augustus 1998 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de WAO met ingang van 1 januari 1998 opnieuw herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens heeft gedaagde daarbij beslist die uitkering ingaande laatstgenoemde datum met toepassing van artikel 44 van de WAO niet uit te betalen.

Bij besluit van 21 augustus 1998 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde de naar zijn oordeel over het tijdvak van 1 december 1996 tot 1 januari 1998 onverschuldigd aan appellante betaalde uitkeringen, ten bedrage van f 8.636,59 bruto, met toepassing van artikel 48 van de AAW en artikel 57 van de WAO van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 21 augustus 1998 (hierna: besluit 4) heeft gedaagde de naar zijn oordeel over het tijdvak van

1 januari 1998 tot 1 september 1998 onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering, ten bedrage van f 5.241,28 bruto, met toepassing van artikel 57 van de WAO van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 22 september 1998 (hierna: besluit 5) heeft gedaagde appellante per 1 augustus 1998 arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 15 tot 25%.

Bij besluit van eveneens 22 september 1998 (hierna: besluit 6) heeft gedaagde, onder intrekking van besluit 4, het over het tijdvak van 1 januari 1998 tot 1 september 1998 als onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen bedrag nader bepaald op f 12.466, 33 bruto.

Bij besluit van 27 april 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de door appellante tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 24 februari 2000, reg.nr.: AWB 99/4788 WAO, ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te 's-Gravenhage, op bij beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 8 november 2001 - met bijlage - en 20 februari 2002 heeft gedaagde vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 oktober 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 10 maart 2003 vragen gesteld aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid.

Bij schrijven van 23 april 2003 is deze vraagstelling namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord door de waarnemend secretaris-generaal van dat ministerie.

Desgevraagd hebben de gemachtigde van appellante - bij brief van 7 oktober 2003 - en gedaagde - bij brief van 28 oktober 2003 - op deze beantwoording gereageerd.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 16 maart 2004, waar appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is per 1 januari 1985 op basis van een contract van 25 uur per week als fysiotherapeute in dienst getreden van de praktijk waarvoor ze reeds voordien, vanaf juni 1982, op freelancebasis werkzaam was. Na wegens knieletsel voor die werkzaamheden te zijn uitgevallen, is zij met ingang van 6 november 1986 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien zijn de uitkeringen enige keren herzien en zijn er kortingen toegepast in verband met door appellante verworven inkomsten uit arbeid. Ingaande 10 april 1989 zijn de uitkeringen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Eind 1994 heeft gedaagde in het kader van een zogeheten TBA-herbeoordeling de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid aan een heronderzoek onderworpen, resulterend in een besluit van 24 januari 1995 waarbij appellantes uitkeringen met ingang van 10 maart 1995 zijn herzien en nader zijn vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, zulks op basis van een theoretische schatting. Na vernietiging van dat besluit in beroep wegens onzorgvuldige voorbereiding van de medische grondslag ervan, heeft gedaagde bij nader besluit van 23 januari 1997 in dezelfde zin beslist als in eerstgenoemd besluit. Ook dit nader besluit is - bij uitspraak van 20 februari 1998 - in beroep vernietigd, dit keer wegens onvolkomenheden in de arbeidskundige grondslag ervan. Gedaagde heeft ook in deze uitspraak berust en heeft bij besluit van 24 april 1998 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 10 maart 1995 ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%. Tevens zijn nabetalingen verricht.

Inmiddels had appellante haar werkzaamheden als administratief medewerkster, zoals zij die sedert enkele jaren op deeltijdbasis verrichtte bij het IKW, per 1 september 1996 uitgebreid naar een voltijdse betrekking van 36 uur per week. Daarnaast was zij met ingang van 16 januari 1998 op basis van een oproepcontract werkzaamheden gaan verrichten voor het AZL, in een omvang van 4 tot 8 uur per week.

Naar blijkt uit een rapport van 23 juni 1998 heeft gedaagdes arbeidsdeskundige geconstateerd - daarbij aangevend dat zulks ook reeds was vastgesteld in een arbeidskundig rapport van december 1996 - dat appellante, gegeven de door haar gerealiseerde inkomsten uit arbeid, vanaf 1 december 1996 in aanmerking komt voor indeling in de arbeidsongeschikt- heidsklasse 25 tot 35%. Voorts is aangegeven dat appellante, gelet op de hoogte van haar vaste inkomen vanaf 1 januari 1998, per die datum moet worden ingedeeld in de klasse 15 tot 25%, alsmede dat er aanleiding is per laatstgenoemde datum haar uitkering niet langer uit te betalen in verband met de extra inkomsten uit de door haar in januari 1998 ter hand genomen werkzaamheden als oproepkracht.

Vervolgens heeft gedaagde de in rubriek I vermelde primaire besluiten 1 tot en met 6 genomen.

In geding is de vraag of het bestreden besluit van 27 april 1999, waarbij die besluiten in bezwaar zijn gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Daarbij gaat het, nu besluit 4 is ingetrokken en vervangen door besluit 6 en voorts niet is gebleken van enig bezwaar van de zijde van appellante tegen de in besluit 5 vervatte beëindiging van de korting op haar uitkering per

1 augustus 1998 - naar de Raad dit besluit naar zijn kennelijke strekking begrijpt - uitsluitend om de besluiten 1 tot en met

3 en 6.

Van de zijde van appellante zijn bezwaren van verschillende aard naar voren gebracht, in hoofdzaak betreffende het bij de schatting in aanmerking genomen maatmaninkomen, de daarbij gebruikte methode van maandloonvergelijking alsmede de bij de herziening van haar uitkeringen toegepaste terugwerkende kracht.

De Raad overweegt als volgt.

Het maatmaninkomen

Omdat de inkomsten die appellante voorafgaande aan haar uitval als fysiotherapeute verdiende als gevolg van de gekozen beloningsstructuur - zij werd per verrichting betaald - een wisselend karakter droegen, heeft gedaagdes arbeidsdeskundige ter bepaling van het maatgevende inkomen de inkomsten in ogenschouw genomen die appellante in het jaar voor uitval had verdiend, die inkomsten gedeeld door de in dat jaar gelegen gewerkte dagen en vakantiedagen - waarbij derhalve de ziektedagen buiten aanmerking zijn gelaten - en het aldus gevonden bedrag aan inkomsten per dag vervolgens omgerekend naar een maandbedrag.

Van de zijde van appellante is bezwaar gemaakt tegen het op evenvermelde basis vastgestelde maatmaninkomen. Aangevoerd wordt dat zij in het in aanmerking genomen refertejaar als gevolg van haar medische klachten niet op alle van de als (volledig) gewerkte dagen in aanmerking genomen dagen ook daadwerkelijk een volledige arbeidsprestatie heeft geleverd - en dat zij in verband daarmee op die dagen ook minder dan de gebruikelijke inkomsten heeft genoten - terwijl zij voorts van meet af aan als gevolg van haar knieproblematiek, waardoor zij niet langdurig achtereen kon staan en lopen, in een geringere omvang werkzaam is geweest dan het geval zou zijn geweest indien zij volledig gezond zou zijn geweest.

De Raad ziet deze grieven niet slagen.

De Raad stelt voorop dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid volgens vaste rechtspraak in beginsel als maatman moet worden aangemerkt degene die, ook naar de omvang daarvan, een functie vervult welke dezelfde is als die welke de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid vervulde. Het maatmaninkomen wordt bepaald aan de hand van de inkomsten die een betrokkene met die laatstelijk vervulde functie feitelijk heeft verdiend.

De hiervoor vermelde stelling van appellante dat als gevolg van haar gezondheidssituatie haar feitelijk gerealiseerde verdiensten geen juiste afspiegeling vormen van haar werkelijke verdienvermogen, kan niet dienen als een genoegzame grond om een uitzondering op evenvermelde hoofdregel aan te nemen, nu die enkele stelling verder niet aan de hand van enig objectief gegeven is onderbouwd. Zowel de opvatting dat zij in het in aanmerking genomen refertejaar meer zou hebben verdiend als zij op een aantal daarin gelegen - op zich wel gewerkte - dagen geen hinder had ondervonden van haar medische klachten, als de opvatting dat zij, als zij die klachten niet zou hebben gehad, haar arbeid als fysiotherapeute in een grotere omvang zou hebben verricht dan de omvang van 28 uur per week waarin zij feitelijk werkzaam is geweest, mist een toereikende en overtuigende ondersteuning in de feiten en dient derhalve als niet onderbouwd en te speculatief buiten aanmerking te worden gelaten.

De Raad concludeert dat niet gebleken is van een genoegzame grond om de vaststelling van het maatgevende inkomen van appellante naar methode of uitkomst voor onjuist te houden.

De maandloonvergelijking

Namens appellante is voorts bezwaar gemaakt tegen de ter bepaling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid gehanteerde methode van vergelijking van inkomsten op maandbasis. Zij heeft doen stellen dat een vergelijking van uurlonen had moeten plaatsvinden. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat in het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong van 24 december 1997, Stb. 1997, 801, (hierna: het Schattingsbesluit) uitdrukkelijk is gekozen voor een uurloon- vergelijking. Daarnaast is gewezen op het met ingang van 1 april 1999 in werking getreden Besluit uurloonschatting van

11 februari 1999, Stcrt. 1999,40, in de bijlage waarvan - onder punt 3 - onder meer is aangegeven dat, indien de urenomvang van de feitelijke verdiensten groter is dan de urenomvang van de maatman, wordt uitgegaan van het feitelijke uurloon, zodat urenuitbreiding geen invloed heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid. In dit verband is voorts namens appellante naar voren gebracht dat de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 19 juli 1994, gepubliceerd in RSV 1995/6, dateert van voor het Schattingsbesluit en als zodanig door de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit is achterhaald.

De Raad acht het aannemelijk dat appellante met de hiervoor weergegeven onderbouwing van haar bezwaren tegen de door gedaagde toegepaste maandloonvergelijking aan de hand van onder meer het per 1 januari 1998 in werking getreden Schattingsbesluit slechts het oog heeft op de in besluit 2 vervatte herziening van haar uitkering met ingang van laatst- genoemde datum, en dat die bezwaren dus niet mede zien op de in besluit 1 vervatte herziening van haar uitkering met ingang van 1 december 1996. Voor zover appellantes bezwaren niettemin moeten worden geacht mede te zien op laatstbedoelde herziening - het standpunt van appellante ter zake is niet volstrekt eenduidig - verwijst de Raad in navolging van de rechtbank naar zijn hiervoor vermelde, in RSV 1995/6 gepubliceerde, uitspraak. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat de in zijn uitspraak van 17 november 1992, gepubliceerd in RSV 1993/38, in het kader van de daar aan de orde zijnde theoretische schatting tot uitdrukking gebrachte zienswijze dat van deeltijdwerkers niet mag worden verlangd dat zij het aantal arbeidsuren uitbreiden teneinde een bestaand verlies aan verdiencapaciteit te compenseren, geenszins eraan in de weg staat om bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van iemand die uit eigen verkiezing heeft hervat in een functie met een grotere omvang dan de maatmanfunctie, de aldus feitelijk - per loonbetalingstijdvak - gerealiseerde verdiensten ten grondslag te leggen aan de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit, mits de verdiensten uit die functie een reële afspiegeling vormen van de verdiencapaciteit van de betrokkene. Nu er in het geval van appellante niet gebleken is van enig aanknopingspunt om het ervoor te houden dat de door haar gerealiseerde feitelijke verdiensten niet een zodanige reële afspiegeling van haar verdiencapaciteit vormen, volgt uit het vorenstaande dat de bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 1 december 1996 toegepaste maandloonvergelijking in rechte geen bezwaren ontmoet.

De Raad is van oordeel dat zulks evenwel anders ligt ten aanzien van de in besluit 2 neergelegde schatting per 1 januari 1998, welke schatting wordt beheerst door de per die datum in werking getreden bepalingen van meergenoemd Schattingsbesluit. In dat Schattingsbesluit is als systematiek bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid de methode van uurloonvergelijking neergelegd. In dat kader zijn in het bijzonder van belang de artikelen 2, eerste lid, artikel 3, eerste lid alsmede artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, welke artikelen in onderling verband bezien uitdrukking geven aan bedoelde door de regelgever voorgestane systematiek van vergelijking op basis van uurlonen.

In artikel 3, tweede lid, onder h, van het Schattingsbesluit is erin voorzien dat in gevallen waarin de verzekerde in arbeid heeft hervat, bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van de feitelijke inkomsten uit die arbeid, mits dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan het geval is op basis van een (gebruikelijke) schatting (aan de hand van theoretische functies) met toepassing van de artikelen 4 en 5 van het Schattingsbesluit. In dit artikelonderdeel wordt expliciet bepaald dat de onderdelen b en f van het tweede lid van artikel 3, respectievelijk betrekking hebbend op functies die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en op functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden, bij een zodanige schatting op feitelijke verdiensten worden uitgezonderd.

De Raad stelt vast - en dit acht hij doorslaggevend bij de beantwoording van de hier aan de orde zijnde rechtsvraag - dat in artikel 3, tweede lid, onder h, van het Schattingsbesluit evenwel geen uitzondering wordt gemaakt op de systematiek van de uurloonvergelijking en dat ook overigens in het Schattingsbesluit, in tekst noch toelichting, is voorzien in een dergelijke uitzonderingsmogelijkheid. In de hierna integraal opgenomen antwoordbrief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hier ook op gewezen en wordt uiteengezet dat en waarom in de optiek van de regelgever ook in gevallen waarin de mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit wordt bepaald aan de hand van feitelijke verdiensten, de in het Schattingsbesluit voorgeschreven systematiek van uurloonvergelijking toepassing dient te vinden:

"In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong is bepaald dat, in afwijking van de onderdelen b en f van dat artikellid, bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van de feitelijke inkomsten uit arbeid, mits dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan de met toepassing van de artikelen 4 en 5 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Het betreft hier de situatie waarin de persoon die ongeschikt is voor de maatgevende arbeid, feitelijk in arbeid hervat. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong wordt de resterende verdiencapaciteit van de betrokkene niet gebaseerd op geduide functies (de zogenaamde theoretische schatting), maar op hetgeen hij in de arbeid waarin hij feitelijk heeft hervat verdient.

Uw vraag is of in de geschetste situatie bij de bepaling van de resterende verdiencapaciteit de feitelijk gerealiseerde verdiensten op uurbasis dan wel per loonbetalingstijdvak (maand of week) in aanmerking genomen moet worden.

Uitgangspunt bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 3 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong is de uurloonvergelijking. Hiertoe wordt het maatmanuurloon vergeleken met de resterende verdien- capaciteit per uur. De resterende verdiencapaciteit wordt normaliter bepaald aan de hand van de geduide functies. Indien de betrokkene in arbeid heeft hervat kan evenwel van deze gang van zaken worden afgeweken. In die situatie wordt de resterende verdiencapaciteit gebaseerd op de door de betrokkene feitelijk gerealiseerde verdiensten. Artikel 3, tweede lid, aanhef en sub h, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong voorziet in een regeling voor deze situatie. Op grond hiervan wordt in zoverre van de gebruikelijke schattingswijze afgeweken, dat de restricties in de onderdelen b en f van artikel 3, tweede lid, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong buiten beschouwing blijven, alsook de artikelen 4 en 5 van dat besluit. Voor het overige blijft bij de bepaling van de resterende verdiencapaciteit in geval van feitelijke hervatting in arbeid het bepaalde in artikel 3 Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong van toepassing. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong behelst derhalve geen afwijking van het uitgangspunt van artikel 3 dat de mate van arbeids- ongeschiktheid wordt bepaald door vergelijking van uurlonen.

In hoofdstuk 3 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, van 8 juli 2000, Staatsblad 2000, 307 is de inhoud van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong overgenomen, waarbij enige beperkte aanpassingen zijn doorgevoerd. Hiermee is, aldus de nota van toelichting, geen inhoudelijke wijziging beoogd. Artikel 3, tweede lid, aanhef en sub a, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong is in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten artikel 9, aanhef en sub h geworden. De tekst van onderdeel h is bij die gelegenheid enigszins aangepast. Waar in de tekst van 1997 sprake was van het "uitgaan van de feitelijke inkomsten uit arbeid", is in het besluit uit 2000 sprake van het "uitgaan van de arbeid die feitelijk wordt verricht". Blijkens de nota van toelichting wordt hiermee aangegeven dat het in artikel 9 gaat om het wel of niet in aanmerking nemen van - in het geval van sub h feitelijk verrichte - arbeid. Dit onderstreept nog eens dat het bij sub h dus niet gaat om een afwijking van de uurloonschattingssystematiek, maar slechts om het bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit in aanmerking nemen van de feitelijke arbeid (en de daarbij behorende inkomsten) in plaats van geduide theoretische functies. Dit geldt in gelijke mate voor artikel 9, aanhef en sub h, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, aangezien met hoofdstuk 3 van eerstgenoemd besluit geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van laatstgenoemd besluit.

Verder wijs ik er op dat bij het vaststellen van hetgeen iemand na zijn arbeidsongeschiktheid nog kan verdienen de omvang van de maatmanarbeid het uitgangspunt is. Dit beginsel is onder meer neergelegd in artikel 3, eerste lid, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong. Dat betekent dat de resterende verdiencapaciteit wordt gebaseerd op hetgeen betrokkene nog kan verdienen in het aantal uren waarin de maatman werkzaam was. Er wordt in het kader van de arbeidsongeschiktheids- beoordeling dus niet van verzekerden gevergd dat zij na arbeidsongeschikt te zijn geworden het aantal arbeidsuren uitbreiden om op die wijze het verlies aan verdiencapaciteit te compenseren. Ten behoeve van de vergelijking van maatmanloon en resterende verdiencapaciteit wordt daarom een berekeningswijze gehanteerd die neerkomt op het vergelijken van uurlonen. Met deze uurloonvergelijkingssystematiek wordt voorkomen dat een werkhervatting in minder uren dan waartoe betrokkene nog in staat is een rol speelt bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Voorts wordt gewaarborgd dat betrokkene zijn aantal arbeidsuren na zijn arbeidsongeschiktheid niet hoeft uit te breiden. Dit laatste is van belang om te voorkomen dat iemand die - zoals in het door u in uw brief gegeven voorbeeld - op minder goed beloonde arbeid aangewezen is desondanks niet arbeidsongeschikt is. Deze overwegingen zijn terug te vinden in de nota van toelichting bij het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong en doen in gelijke mate opgeld voor de theoretische schatting als voor de schatting op grond van feitelijke inkomsten uit arbeid. Uit het Besluit uurloonschatting 1999, Staatscourant 1999, 40 blijkt dat het Lisv in het Schattingsbesluit geen aanleiding heeft gevonden een andere zienswijze aan te hangen. Verwezen zij met name naar punt 3 van de bijlage bij het Besluit uurloonschatting.

Tenslotte wijs ik u nog op artikel 5, tweede lid, Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, waarin wordt aangegeven dat het eerste lid van dat artikel geen toepassing vindt indien bij de schatting wordt uitgegaan van feitelijke inkomsten uit arbeid. In het algemeen deel van de toelichting bij het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong wordt ten aanzien van deze bepaling overwogen dat ten aanzien van het eerste lid deze uitzondering wordt "gemaakt voor de situatie waarin de betrokkene feitelijk hervat tegen een hoger uurloon dan het maatmanuurloon". Ook hieruit moge blijken dat in geval van een schatting op feitelijke verdiensten een uurloonvergelijking is beoogd."

In het licht van het vorenstaande kan de Raad zich niet verenigen met gedaagdes, na kennisname van de antwoordbrief van de Minister staande gehouden, opvatting dat de toegepaste maandloonvergelijking juist is te achten omdat daarmee het meest recht wordt gedaan aan het beginsel dat de WAO slechts beoogt een uitkering te verschaffen indien en voor zover in een voorliggend geval sprake is van een door ziekte of gebreken veroorzaakte relevante derving van inkomsten. Doorslaggevend is immers volgens de in het Schattingsbesluit aangehouden systematiek of een zodanige derving van inkomsten aanwijsbaar is bij een vergelijking op uurloonbasis. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting op 16 maart 2004 merkt de Raad op dat gedaagdes principieel getoonzette stellingname overigens, naar het de Raad voorkomt, door gedaagde zelf in feite wordt ontkracht met het gestelde onder punt 3 van de bijlage bij het met ingang van 1 april 1999 in werking getreden Besluit uurloonschatting 1999 waarin, voor zover hier van belang, zoals ook reeds hiervoor is vermeld, gedaagde zelf als beleidsuitgangspunt ten aanzien van schattingen per die datum heeft neergelegd dat als de urenomvang van de feitelijke verdiensten groter is dan de urenomvang van de maatman, wordt uitgegaan van het feitelijke uurloon, zodat een urenuitbreiding geen invloed heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de door gedaagde bij besluit 1 toegepaste wijze van berekening van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid, waarbij het maatmaninkomen per maand is afgezet tegen appellantes feitelijke verdiensten per maand, in rechte geen bezwaren ontmoet, maar tevens dat de in besluit 2 neergelegde herziening van appellantes uitkering in strijd is te achten met de in het Schattingsbesluit vervatte systematiek van vergelijking van uurlonen en om die reden in rechte geen stand kan houden.

De terugwerkende kracht

Appellante heeft zich met een beroep op het vertrouwensbeginsel verzet tegen de bij besluit 1 aan de herziening van haar uitkeringen verleende terugwerkende kracht tot en met 1 december 1996, in welk verband zij heeft benadrukt gedaagde steeds tijdig en correct omtrent haar werkzaamheden en verdiensten te hebben geïnformeerd.

De rechtbank heeft de terugwerkende kracht aanvaardbaar geacht, waartoe de rechtbank heeft overwogen zich niet aan de indruk te kunnen onttrekken dat appellante de omtrent haar inkomsten gevraagde informatie niet conform de wettelijke bepalingen heeft verstrekt.

De Raad heeft op zich in de stukken geen aanknopingspunten gevonden om in navolging van de rechtbank ervan uit te gaan dat appellante gedaagde niet juist en volledig heeft geïnformeerd. Ook van de zijde van gedaagde is desgevraagd ter zitting aangegeven dat gedaagde bij zijn besluitvorming niet ervan is uitgegaan dat appellante op dit punt haar verplichtingen niet is nagekomen.

Niettemin ontmoet ook naar het oordeel van de Raad de toegepaste terugwerkende kracht geen bezwaar. De Raad verenigt zich namelijk met het standpunt van gedaagde dat het aan appellante redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat de door haar op en na 1 december 1996 genoten inkomsten niet konden samengaan met haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, en dat zij derhalve ernstig rekening ermee heeft moeten houden dat haar uitkeringen door gedaagde met terugwerkende kracht zouden worden aangepast aan haar verdiensten.

In dit verband acht de Raad met name van belang dat de inkomsten van appellante tezamen met haar uitkering vanaf de in besluit 1 aan de orde zijnde datum 1 december 1996 meer bedroegen dan haar maatmaninkomen. Reeds op grond van dit gegeven had appellante kunnen en moeten begrijpen dat zij geen recht kon doen gelden op ongewijzigde voortzetting van haar uitkeringen. Daarnaast heeft de Raad in aanmerking genomen de zich onder de gedingstukken bevindende brief van 18 februari 1997, waarin gedaagde aan appellante heeft meegedeeld dat haar inkomsten van dat moment niet van invloed zijn op de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% waarin zij na herbeoordeling op theoretische gronden was ingedeeld. Appellante kon, naar het de Raad voorkomt, ook uit die brief begrijpen dat een hogere klasse dan 25 tot 35 wellicht niet verenigbaar was met haar verdiensten.

De bij besluit 1 toegepaste terugwerkende kracht tot en met 1 december 1996 wordt mitsdien ook door de Raad aanvaardbaar geacht.

De Raad wil, met het oog op nadere besluitvorming door gedaagde, niet nalaten op te merken dat ook besluit 2 - welk besluit blijkens het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad in rechte geen stand kan houden - met een zekere terugwerkende kracht is genomen, maar dat daar van de zijde van appellante geen grieven tegen zijn aangevoerd, onder erkenning dat appellante gedaagde eerst in april 1998 op de hoogte heeft gesteld van de in januari 1998 ter hand genomen werkzaamheden als oproepkracht en de daaruit genoten verdiensten. Mede gelet hierop heeft de Raad evenmin aanleiding de aan besluit 2 verleende terugwerkende kracht rechtens onaanvaardbaar te achten.

De korting en de terugvordering

Uit hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen en geoordeeld met betrekking tot de in besluit 2 vervatte herziening van appellantes uitkering per 1 januari 1998, volgt tevens dat de in besluit 2 toegepaste korting op appellantes uitkering - waarbij immers tot uitgangspunt is genomen de uitkering zoals die op basis van die herziening per die datum is vastgesteld - zomede de in besluit 6 vervatte terugvordering van hetgeen over het tijdvak van 1 januari 1998 tot 1 september 1998 onverschuldigd aan appellante is betaald, evenmin in rechte stand kunnen houden. Overigens kan worden vastgesteld dat gedaagde, afgezien van het bovenstaande, zelf al heeft aangegeven besluit 2, voor zover daarbij appellantes uitkering ook over de maand juni 1998 niet tot uitbetaling is gebracht, alsmede - in verband daarmee - besluit 6 niet langer te onderschrijven. In dit verband wijst de Raad op brieven van gedaagde van 8 november 2001 en 20 februari 2002, waarin gedaagde in reactie op vragen van de Raad heeft aangegeven dat over de maand juni 1998 ten onrechte een korting is toegepast op appellantes uitkering, in verband waarmee ook het over de periode van 1 januari 1998 tot 1 september 1998 teruggevorderde bedrag dient te worden verlaagd van f 12.466,33 naar f 11.838,41.

De Raad merkt ten slotte op dat hij geen aanleiding heeft om de in besluit 3 vervatte terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over het tijdvak van 1 december 1996 tot 1 januari 1998 rechtens niet aanvaardbaar te achten. Met hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld omtrent de in besluit 1 neergelegde herziening van appellantes uitkering met ingang van 1 december 1996 is gegeven dat gedaagde vanaf die datum deels onverschuldigd aan appellante heeft betaald. Van de zijde van appellante is met betrekking tot die terugvordering een beroep gedaan op een dringende reden als bedoeld in de aan de orde zijnde terugvorderingsbepalingen.

De Raad volgt appellante hierin niet.

Naar de Raad eerder heeft geoordeeld, kunnen blijkens de wetsgeschiedenis dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van die terugvordering voor de betreffende verzekerde. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat het daarbij gaat om een beoordeling van de zich in een bepaald individueel geval voordoende relevant te achten omstandigheden. In het geval van appellante is niet kunnen blijken van zodanige bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden dat gedaagde gehouden zou moeten worden geacht op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit, in zoverre daarbij het bezwaar van appellante tegen de besluiten 2 en 6 ongegrond is verklaard, in rechte geen stand kan houden. Het beroep tegen het bestreden besluit is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Datzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak, in zoverre daarbij deze onderdelen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Het bestreden besluit is, voor zover daarin de bezwaren tegen de besluiten 1 en 3 ongegrond zijn verklaard, wel rechtens juist te achten. Het daarop betrekking hebbende onderdeel van de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644, - voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 644, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij ongegrond is verklaard het beroep tegen het onderdeel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de besluiten 2 en 6;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor dat onderdeel;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.