Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
01-06-2004
Zaaknummer
02/4602 AW + 02/4603 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd betrokkene te laten hervatten in zijn oude functie van coördinator GHOR? Weigering op het bezwaar te beslissen. Is het gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard o.g.v. artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4602 AW

02/4603 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

gedaagde 1,

en

het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE),

gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juli 2002, nrs. AWB 01/2097 en AWB 02/28, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagden 1 en 2 hebben verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 26 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. van der Schoor, advocaat te 's-Hertogenbosch. Gedaagde 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Houben, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, en gedaagde 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.F.M.J. van der Einden, werkzaam bij SRE.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.

1.1. Appellant is in 1991 aangesteld als functionaris rampenbestrijding bij de gemeente Eindhoven. Vanaf 1 april 1994 is bij SRE de functie van coördinator geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (verder: coördinator GHOR) ingesteld, waaraan salarisschaal 13 was verbonden. Appellant is gedetacheerd bij gedaagde 2 en met die functie belast. Met ingang van 1 april 1999 is een projectleider van het project "Versterking GHOR" benoemd. Appellant is aangewezen als diens plaatsvervanger. Appellant heeft wegens ziekte vanaf 15 april 1999 tot 2 oktober 2000 zijn werkzaam-heden niet verricht. In verband met versterking van de GHOR en wijziging van de Wet hulpverlening bij ongevallen is de functie van Regionaal Geneeskundig Functionaris (RGF), salarisschaal 15, tot stand gekomen. Voornoemde projectleider is bij besluit van gedaagde 2 van 8 november 1999 in deze functie benoemd met ingang van 1 april 1999 voor de duur van twee jaar. Gedaagde 1 heeft vastgesteld dat de functie van appellant hiermee is komen te vervallen en heeft appellant twee andere functies aangeboden, die appellant niet heeft geaccepteerd.

1.2. Bij schrijven van 20 september 2000 is namens appellant verzocht om hem te laten hervatten in zijn reguliere functie van coördinator GHOR, op welk verzoek gedaagde 1 bij besluit van 23 oktober 2000 afwijzend heeft gereageerd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van gedaagde 1 van 17 juli 2001.

1.3. Op 12 januari 2001 is namens appellant aan gedaagden 1 en 2 verzocht hem per 1 april 2001 te benoemen in de functie van RGF en hem de geleden schade over de periode van 1 april 1999 tot 1 april 2001 te vergoeden. Gedaagde 2 heeft hierop op 20 februari 2001 aan de gemachtigde van appellant medegedeeld dat de correspondentie gevoerd diende te worden met gedaagde 1, zijnde de werkgever van appellant. Gedaagde 1 heeft dit bevestigd bij schrijven van 1 maart 2001. Op 27 maart 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de weigering van gedaagden 1 en 2 om op zijn verzoek om benoeming en om vergoeding van schade te besluiten. Gedaagde 2 heeft bij schrijven van 4 april 2001 medegedeeld niet inhoudelijk op het bezwaar te zullen reageren. Gedaagde 1 heeft op 6 april 2001 meegedeeld het bezwaar in behandeling te zullen nemen. Verdere afhandeling van het bezwaar heeft niet plaatsgevonden.

2. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van gedaagde 1 van 17 juli 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het beroep tegen de schriftelijke weigering van gedaagde 2 om een besluit te nemen op het bezwaar van 27 maart 2001 tegen de schriftelijke weigering om een besluit te nemen met betrekking tot appellants verzoek van 12 januari 2001 gegrond verklaard, de met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering van gedaagde 2 om een besluit op bezwaar te nemen vernietigd en het bezwaar tegen de schriftelijke weigering om een besluit op bezwaar te nemen alsnog niet-ontvankelijk verklaard, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht met betrekking tot hetgeen thans nog in geschil is en de in dit geding overigens voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

Weigering van gedaagde 1 om appellant te laten hervatten in de functie van coördinator GHOR.

4.1. Gedaagde 1 heeft bij het gehandhaafde besluit van 23 oktober 2000 geweigerd appellant na zijn ziekteperiode in zijn oorspronkelijke functie van coördinator GHOR te laten hervatten, met name op de grond dat deze functie buiten de dienstverhouding van appellant met gedaagde 1 valt en deze functie inmiddels ook is komen te vervallen. De Raad overweegt hieromtrent dat op grond van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (verder: de gemeenschappelijke regeling) en de Verordening op de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen Regio Eindhoven (verder: de verordening GHOR) in 1994 de functie van coördinator GHOR tot stand is gekomen en onder het gezagsbereik van SRE is gebracht. Appellant is in dienst gebleven van gedaagde 1 en gedetacheerd bij gedaagde 2 in die functie. Vooruitlopend op de wijziging van de verordening GHOR in verband met wijziging van de Wet Hulpver-lening bij ongevallen en rampen is de functie van RGF bij SRE ingesteld en heeft gedaagde 2 de onder 1.1. genoemde projectleider in die functie benoemd. Gedaagde 2 was ingevolge artikel 5, eerste lid, onder g, en artikel 12, eerste lid, van de gemeen-schappelijke regeling onder meer belast met de organisatie van geneeskundige hulp-verlening bij rampen als bedoeld in artikel 5 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen. Derhalve was gedaagde 2 en niet gedaagde 1 bevoegd die taak nader in te vullen en bevoegd tot het benoemen van functionarissen en het opdragen van taken bij SRE in dat kader. Ten tijde hier in geding was gedaagde 1 niet bevoegd aan het verzoek van appellant te voldoen.

4.2. Gezien het vorenstaande treffen de grieven van appellant tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het besluit van gedaagde 1 van 17 juli 2001 geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, voorzover daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

Weigering van gedaagde 2 om te beslissen op het verzoek van 12 januari 2001.

5.1. Bij het primaire besluit van 20 februari 2001 is door gedaagde 2 geweigerd op het onder 1.3. genoemde verzoek van 12 januari 2001 te beslissen en na bezwaar tegen dit besluit heeft gedaagde 2 op 4 april 2001 eveneens geweigerd op dit bezwaar inhoudelijk te beslissen. Ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een weigering om een besluit te nemen voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft gedaan, leest de Raad in het bestreden besluit echter niet de handhaving van een weigering om appellant te benoemen in de functie van RGF en een weigering tot het verstrekken van schadevergoeding. Gedaagde 2 heeft bij het primaire besluit noch bij het besluit op bezwaar inhoudelijk op het verzoek van appellant van 12 januari 2001 beslist.

5.2.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 17 april 2003, TAR 2003, 123) ontstaat bij detachering van een ambtenaar bij een ander bestuursorgaan tussen de gedetacheerde ambtenaar en het inlenend bestuursorgaan, in de onderhavige situatie tussen appellant en gedaagde 2, een beperkte tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding, die op één lijn is te stellen met een tijdelijke aanstelling. Vanuit deze beperkte ambtelijke rechtsverhouding behoorde gedaagde 2 een inhoudelijk besluit te nemen met betrekking tot het tweeledig verzoek van appellant van 12 januari 2001. De Raad volgt gedaagde 2 hierbij niet in het standpunt dat de detachering ten tijde van dit verzoek reeds was beëindigd, nu daarover geen besluit was genomen. Van een besluit tot beëindiging van de detachering na het verzoek van appellant is de Raad overigens evenmin gebleken.

5.2.2. Bij gedaagde 2 berustte op grond van de gemeenschappelijke regeling en de verordening GHOR de bevoegdheid tot het benoemen van de RGF en het vergoeden van schade in dat kader. Nu gedaagde 2 omtrent dit verzoek geen besluit heeft genomen, ook niet in bezwaar en (hoger) beroep, en dit discretionaire bevoegdheden betreft, ziet de Raad geen ruimte om het geschil in deze inhoudelijk te beslechten. De Raad merkt hierbij wel op in de toepasselijke regelingen en de voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot de functies van coördinator GHOR en van RGF geen steun te vinden voor het standpunt van appellant dat hij door het bekleden van de functie van coördinator GHOR automatisch is overgegaan in de functie van RGF.

5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de bestreden weigering van gedaagde 2 van 4 april 2001 om een besluit op bezwaar te nemen derhalve terecht vernietigd, zij het op andere gronden, en het beroep in zoverre terecht gegrond verklaard. De Raad kan zich echter, gezien hetgeen onder 5.1. is overwogen, niet vinden in de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2001. In zoverre dient de aangevallen uitspraak dan ook te worden vernietigd. Gedaagde 2 moet alsnog op het bezwaar van appellant beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde 2 met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede € 12,80 aan reiskosten, in totaal derhalve € 656,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bezwaar tegen het besluit van gedaagde 2 van 20 februari 2001 niet-ontvankelijk is verklaard;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat gedaagde 2 een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde 2 van 12 januari 2001, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde 2 in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 656,80, te betalen door het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven;

Bepaalt dat het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Pijper.

RH

23-02