Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
02/4211 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegenomen arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak; causaliteitseis; uitleg artikelen 39a en 43a WAO

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4211 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 maart 2000 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde aan H.A. van Hal, op dat moment ex-werknemer van appellante (hierna: betrokkene) met toepassing van artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 5 oktober 1999 een uitkering toegekend ingevolge die wet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen besluit 1.

Bij besluit van 22 augustus 2000 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde betrokkene ervan in kennis gesteld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in het kader van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling ongewijzigd wordt vastgesteld op 80 tot 100%.

Namens appellante heeft mr. R.P.C. Kütemann, advocaat te 's-Gravenhage, bezwaar gemaakt tegen besluit 2.

Bij besluit van 16 februari 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 16 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 31 mei 2002 ongegrond verklaard.

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Desgevraagd heeft betrokkene laten weten niet als partij aan de procedure te willen deelnemen en geen toestemming te geven om zijn medische gegevens aan zijn ex-werkgever ter kennisname te brengen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadien een rapport ingezonden d.d.

26 november 2002, waarin zijn bezwaarverzekeringsarts nog een reactie geeft op het aanvullend beroepschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 mei 2003, waar als gemachtigden van appellante zijn verschenen mr. Kütemann, voornoemd, en de medisch adviseur mr. dr. J.W. Bins, en waar namens gedaagde met voorafgaand bericht niemand is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 14 oktober 2003 een vraagstelling aan gedaagde voorgelegd, welke door gedaagde is beantwoord bij schrijven van 11 november 2003 en een daarbij gevoegd rapport van 5 november 2003 van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 2004. Namens appellante zijn wederom verschenen mr. Kütemann en mr.dr. Bins, terwijl namens gedaagde - eveneens wederom - niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming in dit geding gaat de Raad uit van de volgende in de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid - weergegeven feiten en omstandigheden:

"Betrokkene, die sedert 20 januari 1975 bij eiseres werkzaam was als uitvoerder, is op 19 juni 1995 uitgevallen met psychische klachten. Met ingang van 17 juni 1996 is aan betrokkene, die alsdan gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Deze uitkering is ingaande 8 september 1997 ingetrokken wegens volledige werkhervatting door betrokkene bij eiseres.

Betrokkene heeft per 1 oktober 1998 ontslag genomen bij eiseres en heeft op 5 oktober 1998 zijn werk als uitvoerder bij een andere werkgever hervat.

Op 7 juni 1999 is betrokkene ook voor dat werk uitgevallen, naar aanleiding waarvan betrokkene op 7 december 1999 is gezien door verzekeringsarts N. Deguelle die toen geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid bij betrokkene heeft vastgesteld.

Daarop is bij besluit van 17 maart 2000 aan betrokkene met ingang van 5 oktober 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Dit bij het bestreden besluit van 16 februari 2001 gehandhaafde besluit is gebaseerd op de in artikel 43a van de WAO vervatte regeling dat indien degene wiens WAO-uitkering is ingetrokken binnen vijf jaren na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en die arbeidsongeschiktheid voorkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuit-kering steeds plaatsvindt, zodra die arbeidsongeschiktheid vier weken heeft geduurd."

De Raad voegt hieraan nog toe dat bij het bestreden besluit ook het bezwaar ongegrond is verklaard tegen besluit 2, waarbij gedaagde betrokkene in het kader van een eerstejaars herbeoordeling ongewijzigd arbeidsongeschikt heeft geacht naar een mate van 80 tot 100%.

Van de zijde van appellante zijn in beroep in de eerste plaats grieven van principiële aard aangevoerd tegen de medische besluitenregeling.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dienaangaande als volgt overwogen en geoordeeld:

"In beroep tegen dit besluit stelt eiseres dat zij inzage wenst te hebben in het medische dossier van betrokkene om zelf tot een juist oordeel te kunnen komen. Eiseres vindt dat het recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wordt geschonden nu aan haar als werkgever de kennisneming van de medische stukken wordt onthouden terwijl verweerder daarover wel de beschikking heeft. Daaraan doet, zo meent eiseres, niet af dat de rechtbank de medische stukken wel aan haar advocaat en aan haar arts-gemachtigde ter inzage heeft gegeven.

Dienaangaande overweegt de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/205 dat aan de elementaire eisen van artikel 6 EVRM wordt voldaan indien de rechter met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb bepaalt dat inzage in dan wel kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemers is voorbehouden aan een gemachtigde die, zo vloeit uit laatstgenoemde bepaling voort, verplicht is tot geheimhouding ter zake van de desbetreffende medische gegevens tegenover degene die door hem wordt vertegenwoordigd. Aangezien zowel arts-gemachtigde Bins, voornoemd, in de bezwaarschriftprocedure als de gemachtigde van eiseres mr. Kütemann in de beroepsprocedure inzage hebben gekregen in het medisch dossier van betrokkene, faalt, gelet op bovenvermelde rechtspraak van de CRvB, deze grief van eiseres."

Van de zijde van appellante zijn in hoger beroep eerder vermelde bezwaren van principiële aard gehandhaafd.

De Raad kan zich volledig vinden in de hiervoor opgenomen beschouwingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank en heeft in hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot een ander oordeel. Naar aanleiding van appellantes bezwaren merkt de Raad nog op dat hij in genoemde uitspraak expliciet heeft onderkend dat de werkgever ook met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog niet geheel op gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar tevens heeft blijk gegeven van het oordeel dat de gemachtigde van de werkgever in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen, zodat er geen sprake is van een onevenredig nadelige positie van de werkgever. De Raad heeft geen aanknopingspunten om in dit geding tot een andersluidend oordeel te komen.

Op zich is juist de stelling dat artikel 8:32, tweede lid, van de Awb zekere grenzen stelt aan de informatievoorziening door de advocaat aan zijn cliënt. Dat is echter op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat appellante in een, mede in aanmerking genomen de - in artikel 8 van het EVRM erkende - belangen van de betrokkene en het in het recht op een eerlijke behandeling besloten beginsel dat appellante, naar concrete omstandigheden afdoende, gelegenheid moet worden geboden tot tegenspraak van de door gedaagde betrokken stellingen, niet aanvaardbare procespositie komt te verkeren, hetgeen op gespannen voet met artikel 6 van het EVRM zou staan. Anders dan appellant kennelijk meent betekent de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb geenszins dat haar advocaat en medisch adviseur de hun bekende gegevens niet in het belang van hun cliënt kunnen aanwenden. Integendeel, het is juist het doel van die bepaling om die belangenbehartiging mogelijk te maken.

De inhoudelijke bezwaren van appellante bestaan uit het volgende. Appellante stelt zich op het standpunt dat gedaagde ten onrechte bij besluit 1 toepassing heeft gegeven aan artikel 43a van de WAO, omdat de door gedaagde vanaf 7 juni 1999 aangenomen (volledige) arbeidsongeschiktheid van betrokkene ter zake waarvan aan hem bij dat besluit met ingang van 5 oktober 1999 uitkering is toegekend, niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid is voortgekomen ter zake waarvan de per 8 september 1997 ingetrokken uitkering werd genoten, althans bij gebreke aan voldoende onderzoek door gedaagde onvoldoende aannemelijk is geworden dat van een dergelijke zelfde oorzaak sprake is. Uit dit standpunt vloeit voort dat door appellante ook de in besluit 2 vervatte ongewijzigde indeling van betrokkene in de klasse 80 tot 100% niet juist wordt geacht.

Op zich wordt door appellante niet bestreden dat de per 8 september 1997 ingetrokken uitkering aan betrokkene is verstrekt wegens beperkingen als gevolg van een depressie en dat de vanaf 7 juni 1999 opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid - met betrekking tot de aanwezigheid en mate waarvan door appellante op zich geen inhoudelijke bezwaren zijn aangevoerd - eveneens is terug te voeren op beperkingen als gevolg van een depressie. De enkele omstandigheid dat beide arbeidsongeschiktheidsgevallen aldus op een zelfde diagnose zijn terug te voeren is naar de zienswijze van appellante evenwel niet voldoende om te komen tot het aannemen van dezelfde oorzaak als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

Indien namelijk, aldus appellante, ervan zou dienen te worden uitgegaan dat betrokkene van de eerste depressie volledig is hersteld en de nadien opgetreden tweede depressie daarmee niet in enig oorzakelijk verband kan worden gebracht, kan niet van dezelfde oorzaak in evenvermelde zin worden gesproken. In dit kader heeft appellante de vergelijking gemaakt met iemand die in eerste instantie een uitkering heeft gekregen als gevolg van een beenbreuk na een ongeval, waarvan de betrokkene volledig is hersteld en er naderhand - na een nieuw ongeval - wederom een beenbreuk optreedt. In een dergelijke situatie kan de latere beenbreuk - ervan uitgaande dat overigens geen sprake is van een onderliggende aandoening die meebrengt dat er een grotere gevoeligheid bestaat voor het optreden van botbreuken dan normaal het geval is - niet in enig verband worden gebracht met de eerste beenbreuk, anders dan dat het gaat om dezelfde diagnose.

Appellante heeft in dit verband voorts naar voren gebracht dat er in de medische wereld een onderscheid wordt aangehouden tussen enerzijds een recidief, waaronder volgens appellante dient te worden verstaan het zich na een periode van gezondheid aankondigen van een geheel nieuw ziektegeval, evenwel met dezelfde diagnose, en anderzijds een exacerbatie, waaronder volgens appellante dient te worden verstaan een plotselinge verergering van de oorspronkelijke klachten (dus van dezelfde ziekte of hetzelfde ziekteverschijnsel). Door gedaagde is, zo heeft appellante betoogd, ten aanzien van het tweede ziektegeval van betrokkene in juni 1999 aangenomen dat er, zoals ook door de behandelend psychiater J.J.S. Kooij in een rapport van 22 december 1999 is aangegeven, sprake was van een recidiverende depressieve stoornis. Het gebruik van die terminologie - en het niet gebruiken van de term exacerbatie - wijst er naar de zienswijze van appellante al op dat er, in de optiek van psychiater Kooij en in feite ook in de optiek van gedaagde zelf, bij betrokkene in juni 1999 sprake was van een geheel nieuw, op zichzelf staand, ziektegeval.

Verder heeft appellante in dit verband erop gewezen dat psychiater Kooij destijds in 1996 bij betrokkene als diagnose heeft gesteld: "depressieve stoornis, eenmalige episode", onder vermelding van werkproblematiek als nadere toelichting, hetgeen door gedaagdes verzekeringsarts is overgenomen. Ten aanzien van de uitval in 1999 is door genoemde psychiater aangegeven dat overbelasting op het werk weliswaar wederom een rol speelde, maar dat daarnaast ook sprake was van relatieproblematiek. Ook hierin kan volgens appellante steun worden gevonden voor de zienswijze dat de tweede uitval (weliswaar op dezelfde diagnose maar niettemin) op een andere oorzaak berust.

Op grond van het bovenstaande kan appellante zich niet verenigen met het door de rechtbank gevolgde standpunt van gedaagde dat in dit geval aan de voor de toepassing van artikel 43a van de WAO geldende voorwaarde - dat sprake is van dezelfde oorzaak - is voldaan nu de onderhavige arbeidsongeschiktheid van betrokkene voortkomt uit een depressieve stoornis, hetgeen dezelfde ziekteoorzaak is als die welke in 1996 tot toekenning van uitkering heeft geleid.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, gelet op de omtrent betrokkene beschikbare medische gegevens en mede in aanmerking genomen dat van de zijde van appellante desgevraagd ter zitting van de Raad op 6 mei 2003 is aangegeven dat geen inhoudelijke argumenten voorhanden zijn om te bestrijden dat betrokkene vanaf

7 juni 1999 volledig arbeidsongeschikt is te achten, bij zijn verdere beoordeling ervan uitgaat dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat per laatstgenoemde datum bij betrokkene sprake is van een arbeidsongeschiktheid naar een mate van 80 tot 100%.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat gedaagde ten onrechte aan betrokkene ter zake van die volledige arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 oktober 1999 een WAO-uitkering heeft toegekend om reden dat ten onrechte door gedaagde is aangenomen dat zich ten aanzien van hem een situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO, overweegt de Raad voorts als volgt.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 december 2001, gepubliceerd in RSV 2002/45, overweegt de Raad dat in artikel 43a, eerste lid, van de WAO, voor zover hier van belang, is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden, indien vanwege afgenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering ingevolge die wet is ingetrokken, de betrokkene binnen vijf jaar na de datum van intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten. In zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 39a van de WAO, dat eveneens bij de zogeheten wet Amber in de WAO is opgenomen en dat een gelijksoortige bepaling bevat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak, heeft de Raad, onder meer in de uitspraak van 8 mei 2001, 99/1009 AAW/WAO, overwogen dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 39a niet van toepassing zijn. De Raad heeft aangegeven geen aanleiding te zien om bij de uitleg van artikel 43a van de WAO daarover anders te oordelen.

Van de zijde van appellante is bij monde van de arts-gemachtigde Bins ter zitting van de Raad op 27 januari 2004 desgevraagd aangegeven dat het medisch niet valt uit te sluiten dat mensen die eenmaal een depressie hebben doorgemaakt een verhoogde kans hebben (in vergelijking met mensen ten aanzien van wie dit niet het geval is) om op kortere of langere termijn opnieuw door die ziekte te worden getroffen.

De Raad is, mede gelet hierop, van oordeel dat in gevallen als het onderhavige, waarin sprake is van een tweede depressie, het niet in de rede ligt om zonder meer, dat wil zeggen bij afwezigheid van nadere gegevens die op het tegendeel wijzen, voor wat betreft de toepassing van (artikel 39a of) artikel 43a van de WAO buiten twijfel te achten dat de arbeidsongeschiktheid als gevolg van die tweede depressie voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan de arbeidsongeschiktheid als gevolg van de eerdere depressie.

Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande van de zijde van appellante is gesteld, overweegt de Raad voorts dat uit de hiervoor weergegeven rechtspraak van de Raad met betrekking tot de uitleg van de in - onder meer - artikel 43a van de WAO vervatte causaliteitseis, volgt dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. Diegene dient derhalve nadere gegevens in de hiervoor aangegeven zin aan te dragen, welke buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is.

Appellante is er ten aanzien van betrokkene niet in geslaagd dit aan te tonen. Het van de zijde van appellante benadrukte gegeven dat de eerste depressie van betrokkene uitsluitend te maken had met omstandigheden op het werk, terwijl zijn tweede depressie daarnaast ook te maken had met relatieproblematiek, volstaat daartoe geenszins. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Van Geest heeft in dit verband overigens niet ten onrechte, ter onderbouwing van de zienswijze dat er, ook wat betreft externe - buiten de persoon van betrokkene gelegen - factoren, wel een zeker verband tussen beide ziektegevallen aanwijsbaar is, juist erop gewezen dat bij beide depressies van betrokkene in elk geval werkproblematiek als constante factor een zekere rol heeft gespeeld.

Hiervoor is aangegeven dat van de zijde van appellante ter zitting desgevraagd is onderkend dat er na het optreden van een depressie een verhoogde kans bestaat om nogmaals door die ziekte te worden getroffen. Dat zulks in het geval van betrokkene niet anders is wordt naar het oordeel van de Raad nog onderstreept door het gegeven dat appellante zelf in een gesprek op 12 juni 1997 met onder meer betrokkene heeft aangegeven dat werkhervatting in het eigen werk van uitvoerder een te groot risico met zich zou brengen, omdat men bevreesd was dat hij de druk in die functie niet zou aankunnen. Appellante heeft er daarom op aangedrongen dat betrokkene voor zijn eigen gezondheid en bestwil in een andere, passende, functie zou worden tewerkgesteld. Het wil de Raad voorkomen dat dit in de richting wijst dat betrokkene, ook in de optiek van appellante, niet volledig hersteld was, althans wegens zijn psychische gezondheidssituatie als - verhoogd - kwetsbaar werd aangemerkt en geacht werd niet te zijn opgewassen tegen druk meebrengende werkomstandigheden.

Evenmin treft doel hetgeen namens appellante naar voren is gebracht inzake het onderscheid tussen een recidief en een exacerbatie. Nog ervan afgezien dat gedaagdes bezwaarverzekeringsarts in het in rubriek I vermelde rapport van 5 november 2003 heeft aangegeven - en namens appellante is dit niet weersproken - dat volgens het DSM-IV-classificatiesysteem depressieve stoornissen nader worden onderverdeeld met gebruikmaking van de termen "eenmalige episode" dan wel "recidiverend" en er bij deze stoornis geen gebruik wordt gemaakt van de terminologie "exacerbatie", wijst de Raad erop dat appellante uitgaat van het onjuiste uitgangspunt dat het gebruik van de term recidief (immer) zou wijzen op het optreden van een geheel nieuw ziektegeval nadat van een eerder ziektegeval met dezelfde diagnose volledig herstel is ingetreden. In het geneeskundig woordenboek van Pinkhof-Hilfman (1984, achtste geheel herziene uitgave) wordt een recidief juist omschreven als een "nieuwe aanval van een reeds doorstane en (schijnbaar) genezen ziekte", terwijl in Coëlho, zakwoordenboek der geneeskunde (1993, 24e geheel herziene druk), voor zover hier van belang een recidief wordt aangeduid als "wederinstorting, het opnieuw optreden van de verschijnselen van een ziekte, nadat deze reeds leek genezen". Het gebruik van de term "recidiverende depressieve stoornis" ten aanzien van betrokkene biedt derhalve, anders dan appellante doet betogen, op zichzelf geen, althans onvoldoende steun aan de opvatting dat hij van de eerste depressie blijvend, is hersteld en dat de tweede depressie aldus niet in een zeker oorzakelijk verband met de eerste dient te worden gezien.

Aan appellant kan overigens worden toegegeven - de Raad verwijst naar het door appellante gegeven voorbeeld met betrekking tot beide opeenvolgende arbeidsongeschiktheidsgevallen als gevolg van een beenbreuk - dat in voorkomende gevallen op zich denkbaar is dat na intrekking van de oorspronkelijk toegekende uitkering bij de betrokken verzekerde een volledig herstel is ingetreden van de aandoening die tot toekenning van die uitkering heeft geleid en op grond van de beschikbare medische gegevens niet aan twijfel onderhevig is dat een nadien ingetreden arbeidsongeschiktheid, ook als daarvoor dezelfde diagnose wordt gesteld, in medisch opzicht niet in enig relevant oorzakelijk verband kan worden gebracht met de eerste arbeidsongeschiktheid. Alsdan zou de tweede uitval inderdaad als een geheel nieuw en op zichzelf staand ziektegeval dienen te worden aangemerkt. In een dergelijke situatie kan de betrokkene, zo voegt de Raad daaraan toe, ook niet worden geacht te behoren tot de doelgroep - mensen met een chronische of recidiverende aandoening - waarop de bescherming van de artikelen 39a en 43a van de WAO zich richt.

De Raad wijst er evenwel op dat de hiervoor bedoelde gevallen van volledig herstel goed dienen te worden onderscheiden van situaties waarin de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid weliswaar tot een einde is gekomen omdat er niet langer sprake is van uit de geconstateerde aandoening voortvloeiende wezenlijke beperkingen, maar geen volledig herstel is ingetreden van de onderliggende aandoening. Dit kan het geval zijn bij lichamelijke aandoeningen met een chronisch karakter, waarbij periodiek sprake is van exacerbaties afgewisseld met perioden waarin de aandoening onder controle is en alsdan weinig tot geen beperkingen oplevert, maar is evenzeer denkbaar bij andere lichamelijke ziekten en gebreken alsmede - zoals in het onderhavige geval - bij psychische aandoeningen zoals een depressie, indien naar medisch oordeel aannemelijk, althans zeker niet uitgesloten, is te achten dat de betrokkene in vergelijking met volledig gezonde mensen een verhoogde kans heeft op het optreden van een recidief. In dergelijke situaties ligt het, in het licht van de hiervoor weergegeven rechtspraak inzake het causaliteitsvereiste alsmede in het licht van de vorenomschreven doelstelling van de artikelen 39a en 43a van de WAO, niet zonder meer in de rede om - bij exacerbaties dan wel recidieven - niet uit te gaan van dezelfde oorzaak in de zin van genoemde artikelen.

De Raad komt op grond van al het vorenoverwogene tot de slotsom dat het er in het onderhavige geval voor dient te worden gehouden dat er een oorzakelijk verband als bedoeld in artikel 43a - naar de uitleg die daaraan blijkens de hiervoor weergegeven rechtspraak van de Raad dient te worden gegeven - valt te leggen tussen de oorzaak van betrokkenes eerste arbeidsongeschiktheid en die van zijn tweede arbeidsongeschiktheid.

De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

MR