Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
02/4007 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen werknemer/verzekerde ingevolge Ziektewet en WAO; sprake van fictieve arbeidsovereenkomst om verblijfsvergunning voor in het buitenland verblijvende partner te krijgen

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 17
Ziektewet 3
Ziektewet 6
Ziektewet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4007 ZW

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 17 mei 2001 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 20 juni 2002 (SBR 01/1119) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. B.Th. L.M. Wijte, advocaat te Utrecht, op in het beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Opvolgend gemachtigde mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, heeft bij brief van 10 september 2002 nadere gronden van het hoger beroep ingezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante, geboren in 1969, heeft op 18 november 1996 een door [naam directeur], directeur van schoonmaakbedrijf [naam bedrijf], opgestelde akte van een arbeidsovereenkomst ondertekend. Deze akte vermeldt dat de overeenkomst is aangegaan voor anderhalf jaar. De werkzaamheden zullen bestaan uit schoonmaakwerkzaamheden gedurende een volle werkweek tegen een salaris van f 2.220,40 bruto per maand.

De werkgever heeft appellante op 15 augustus 1997 per 1 augustus 1997 ziek gemeld in verband met haar zwangerschap. Op het desbetreffende mede door appellante ondertekende meldingsformulier is verklaard dat appellante 40 uur per week gedurende 5 dagen werkzaam is voor een vast loon. Op grond van deze gegevens is aan haar met ingang van 1 augustus 1997 gedurende 52 weken ziekengeld toegekend.

Op 24 april 1998 heeft appellante een verklaring ondertekend ter zake van haar aanvraag om een WAO-uitkering. Op deze verklaring is vermeld dat appellante van 18 november 1996 tot en met 31 juli 1997 in een vast dienstverband gedurende een volle werkweek werkzaam is geweest.

Vanaf 31 juli 1998 is aan haar op grond van deze gegevens een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Voorts heeft gedaagde aan appellante op haar verzoek met ingang van 1 augustus 1998 een toeslag op haar WAO-uitkering toegekend.

Naar aanleiding van informatie van de vreemdelingendienst, dat door schoonmaakbedrijf [naam bedrijf] fictieve werkgeversverklaringen werden verstrekt aan personen met het oog op de aanvraag van verblijfsvergunningen alsmede inlichtingen waaruit bleek dat bij [naam bedrijf] "zwart" werd gewerkt, is vanwege gedaagde een onderzoek naar dat bedrijf ingesteld.

In het op 16 augustus 1999 opgemaakte rapport van het fraudeonderzoek is de werkwijze van schoonmaakbedrijf [naam bedrijf] beschreven. Werknemers werden te werk gesteld op verschillende projecten. In agenda's werd per week bijgehouden welke personeelsleden op welke projecten werkzaam zijn geweest. Het totaal per project gewerkte uren werd op de zaterdagbladzijde van de agenda vermeld. Aan de hand van deze gegevens werden de facturen voor opdrachtgevers opgemaakt. Naast deze agenda- administratie voerde het bedrijf een officiële (loon)administratie. Daarin werden de werkuren geboekt op naam van fictieve werknemers. Deze fictieve werknemers beoogden hun in het buitenland verblijvende partners naar Nederland te laten komen in verband met gezinshereniging. Een voorwaarde daarbij is dat de in Nederland verblijvende partner een vast inkomen heeft.

[naam bedrijf] stelde met de fictieve werknemers fictieve arbeidsovereenkomsten op. Het bedrijf betaalde aan de fictieve werknemers via de bank het fictieve loon en verstrekte, nadat de fictieve werknemer het loon had terugbetaald (en in een aantal gevallen een bedrag had bijbetaald), een loonstrook aan de fictieve werknemer.

De fictieve werknemer legde de arbeidsovereenkomst, de bewijzen van loonbetaling en de loonstroken over aan de Vreemdelingendienst ter verkrijging van de verblijfsvergunning voor de in het buitenland verblijvende partner.

Appellante is blijkens het frauderapport in de officiële administratie van het bedrijf voor het tijdvak van 18 november 1996 tot 1 januari 1997 verantwoord voor 29 arbeidsdagen. Met betrekking tot het jaar 1997 is zij verantwoord voor 173 arbeidsdagen.

In het onderzoek is vastgesteld dat in het in geding zijnde tijdvak van 18 november 1996 tot 1 augustus 1997 appellante niet staat vermeld in de agenda-administratie van feitelijke werknemers. Bij steekproeven is gebleken dat de bij opdrachtgevers gefactureerde uren en de in de agenda-administratie verantwoorde feitelijke werkuren met elkaar overeenkomen.

Het rapport vermeldt dat verschillende voormannen en voorvrouwen van betrokken bedrijven zijn gehoord over de ingeleende werknemers van [naam bedrijf].

Geen enkele getuige noemde appellante of herkende haar van getoonde foto's als schoonmaakster-medewerkster van [naam bedrijf].

In het rapport wordt geconcludeerd dat onder meer appellante bij de vreemdelingendienst een "valse" arbeidsovereenkomst, loonstroken en bankafschriften van loonbetalingen van het bedrijf heeft overgelegd bij de aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf, een verblijfsvergunning en de verlenging van de verblijfsvergunning voor haar echtgenoot Metin Guney.

Appellante is op 9 en 10 augustus 1999 verhoord in het kader van het fraudeonderzoek. Zij heeft tijdens het eerste verhoor verklaard dat de bedrijfsleiding van [naam bedrijf] de opdrachten voor bepaalde schoonmaakwerkzaamheden telkens doorbelden naar haar ouders. Haar ouders gaven de opdracht aan haar door. Zij stelt dat zij af en toe schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht in scholen. Zij kon van die scholen geen naam of locatie noemen. Zij stelt dat zij in het begin geen volle werkweek heeft gewerkt.

Zij werkte nooit in de weekeinden, behalve misschien 1 of 2 keer op zaterdag.

Zij verklaarde ook als schoonmaakster bij IBM te hebben gewerkt. Zij deelt mee dat zij in juni en juli 1997 - de twee maanden voor het zwangerschapsverlof - niet heeft gewerkt.

Tijdens het tweede verhoor herhaalt zij dat zij in juni en juli 1997 niet voor [naam bedrijf] heeft gewerkt. Zij deelt mee dat zij elke maand een deel van haar loon terugbetaalde aan de werkgever. Het loon over mei, juni en juli 1997 heeft zij volledig terugbetaald. Na confrontatie met alle onderzoeksgegevens verklaart appellante aan het slot van het tweede verhoor dat zij nooit heeft gewerkt voor [naam bedrijf]. Tijdens het derde verhoor heeft appellante verklaard wel voor [naam bedrijf] te hebben gewerkt, maar niet zo veel.

Bij besluit van 9 september 1999 (besluit I) heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat de over het tijdvak van 1 augustus 1997 tot 31 juli 1998 toegekende ziekengelduitkering wordt herzien en alsnog wordt geweigerd. Gedaagde heeft overwogen dat, nu gebleken is dat appellante geen werkneemster is geweest van [naam bedrijf], zij geen verzekerde is ingevolge de Ziektewet. Zij heeft daarom geen recht op ziekengeld. Het onverschuldigd betaalde ziekengeld ad f 27.065,46 wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 24 november 1999 (besluit II) heeft gedaagde - voorzover in dit geding nog van belang - meegedeeld dat appellante niet verzekerd is geweest ingevolge de WAO en dus geen recht heeft op de verstrekte WAO-uitkering en de toeslag. Bij besluit van

1 december 1999 (besluit III) heeft gedaagde meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag voor een totaalbedrag van f 34.616,60 wordt teruggevorderd.

Bij het bezwaarschrift van 31 oktober 2000 tegen de besluiten I, II en III heeft appellante een handgeschreven verklaring ingezonden, waarin zij stelt op scholen te hebben gewerkt en bij andere bedrijven zoals SCM. Zij stelt in deze verklaring uitdrukkelijk niet bij IBM te hebben gewerkt. In het bezwaarschrift wordt aangevoerd dat de wijze van verhoren zodanig is geweest dat van de verkregen verklaringen geen gebruik mag worden gemaakt. Opgemerkt wordt dat zij van haar bed is gelicht en twee dagen heeft vastgezeten.

Zij maakte zich toen zorgen om haar dochtertje. Zij is niet gehoord met behulp van een tolk. Zij heeft ondanks uitdrukkelijk verzoek haar medicijnen niet gekregen.

Blijkens dossiernotities van 2 maart en 13 maart 2001 heeft een van de bij het verhoor betrokken ambtenaren verklaard dat, zoals ook uit de opgemaakte processen-verbaal blijkt, aan appellante is aangeboden om tijdens de verhoren een tolk aanwezig te laten zijn. Appellante heeft evenwel gesteld dat een tolk niet nodig was. Voorts zou appellante tijdens het verhoor niet om haar medicijnen hebben gevraagd. Tenslotte heeft de opsporingsambtenaar er voor gezorgd dat het dochtertje van appellante werd opgehaald door de broer van appellante.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen de besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover in geding, het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank acht gezien alle gegevens voldoende aannemelijk dat appellante geen werkneemster is geweest bij [naam bedrijf] en dus niet verzekerd is geweest. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verhoren op onzorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden.

In hoger beroep verklaart appellante dat zij op de Johannesschool en de Ludgetschool ieder weekend en in de schoolvakanties schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht.

Zij stelt voorts onder meer gedurende 6 maanden elke dag schoonmaakwerkzaamheden te hebben verricht in het SCM-gebouw. Zij dateert de tijdvakken gedurende welke zij zou hebben gewerkt niet. Zij kan geen namen noemen van collega-schoonmakers of schoonmaaksters.

De Raad verenigt zich met de overwegingen en de beslissing in de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Met betrekking tot de vraag of appellante werknemer-verzekerde is geweest, stelt de Raad vast dat blijkens het fraude-onderzoek appellante ten tijde in geding niet wordt vermeld in de agenda-administratie waarin de feitelijke werkuren van de feitelijke werknemers zijn vermeld. Onbetwist is gesteld dat deze zwarte administratie overeenkwam met de aan de opdrachtgevers gefactureerde uren. Het is daarom niet aannemelijk dat buiten de zwarte agenda-administratie feitelijk nog meer uren zijn gewerkt.

Blijkens het fraude-rapport heeft geen enkele voorman/voorvrouw de naam van appellante genoemd of haar van een foto herkend. Appellante zelf heeft in al haar verklaringen geen enkele naam van een collega of voorman of voorvrouw genoemd.

De verklaringen van appellante omtrent werkzaamheden zijn wisselend en tegenstrijdig. Zij verklaart tijdens het eerste verhoor dat zij bij IBM heeft gewerkt.

In de handgeschreven verklaring bij het bezwaarschrift stelt zij evenwel dat zij niet bij IBM heeft gewerkt. In de eerste verklaring stelt zij dat zij af en toe schoonmaakwerkzaamheden in scholen heeft verricht, doch nooit in de weekeinden (behalve een enkele zaterdag). In hoger beroep verklaart appellante ieder weekeind bij de door haar genoemde scholen te hebben gewerkt. In het frauderapport is vermeld dat blijkens de bedrijfsadministratie van [naam bedrijf] in het tijdvak van 18 november 1996 tot en met 31 mei 1997 schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht op de Markusschool en de Mattheusschool. Dit zijn andere scholen dan de door appellante in hoger beroep genoemde. Appellante noemt tijdens de verhoren het bedrijf SCM niet, terwijl zij in hoger beroep stelt daar 6 maanden elke dag schoonmaakwerkzaamheden te hebben verricht.

Tenslotte heeft appellante tijdens de verhoren steeds verklaard in de maanden juni en juli 1997 geen werkzaamheden te hebben verricht en het loon over mei, juni en juli 1997 te hebben terugbetaald aan [naam bedrijf].

De Raad stelt gezien deze laatste gegevens vast dat appellante - gelet op de artikelen 3, 6 en 46 van de Ziektewet en de artikelen 3 en 17 van de WAO - in elk geval op

1 augustus 1997, de dag van aanvang van haar arbeidsongeschiktheid, geen werknemer/verzekerde ingevolge de Ziektewet en de WAO is geweest en dus geen recht op uitkering ingevolge deze wetten heeft.

De Raad acht het gezien de in het onderzoek verkregen bedrijfsgegevens, de verklaringen van derden alsmede de eigen wisselende en tegenstrijdige verklaringen van appellante - zonder enig concreet ondersteunend bewijs - ook overigens niet aannemelijk dat appellante in het tijdvak van 18 november 1996 tot 1 juni 1997 werknemer/verzekerde is geweest.

Met betrekking tot de stellingen van appellante omtrent de wijze van verhoren op 9 en

10 augustus 1999, verwijst de Raad naar de overwegingen van de rechtbank.

De conclusie is dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen termen voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004.

(get.) Ch.van Voorst.

(get.) J. Verrips.

Gw