Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
03/487 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/487 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 23 december 2002, kenmerk: 85762, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, verder te noemen: de Wet.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Namens eiseres is vervolgens bij schrijven van 14 oktober 2003 ter nadere onderbouwing van het beroepschrift een rapport van de psychiater E. Gans ingediend, waarop desgevraagd door verweerster een reactie is ingezonden van de harerzijds ingeschakelde psychiater (thans in ruste) W. Hiddema.

Daarop is bij brief van 21 januari 2004 nog gereageerd van de kant van eiseres.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 april 2004. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigden

drs. T.H.R. Kiezenbrink, werkzaam bij de Stichting 1940-1945, en bovengenoemde psychiater E. Gans, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Eiseres, die is geboren op 29 april 1940, heeft bij een op 11 februari 1997 bij verweerster ingekomen aanvraag verzocht om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet. In dit verband heeft zij een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte Koninklijk Besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit). Hierbij heeft zij aangegeven dat zij lijdt aan psychische klachten die naar haar mening zijn toe te schrijven aan het verzet van derden, met name haar vader.

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 23 december 1997, zoals na door eiseres gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 1998.

De Raad heeft laatstgenoemd besluit vernietigd bij zijn uitspraak van 21 maart 2002, nr. 98/8301, op de grond dat het besluit wegens strijd met de bij het nemen van een besluit in acht te nemen zorgvuldigheid geen stand kon houden, en bepaald dat verweerster een nieuw besluit diende te nemen met in achtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Ter uitvoering van deze uitspraak is door verweerster het thans bestreden besluit genomen.

De Raad staat thans allereerst ter beoordeling of verweerster op genoegzame wijze gevolg heeft gegeven aan genoemde uitspraak.

De Raad heeft in die uitspraak overwogen dat het op de weg van verweerster had gelegen om, indien zij het medisch- psychiatrisch oordeel van psychiater J.D.J. Tilanus, die ten behoeve van eiseres rapport had uitgebracht, meende niet te kunnen volgen, tenminste een andere deskundige op het terrein van de psychiatrie in te schakelen om zich nader te doen adviseren.

Ter uitvoering van deze uitspraak is van de kant van verweerster de zenuwarts W. Hiddema verzocht eiseres te onderzoeken en rapport uit te brengen. Deze arts, die beschikte over onder meer de medische rapporten van de verzekeringsarts M. Blom van 18 november 1997 en van psychiater J.D.J. Tilanus van 5 juni 1998, heeft eiseres onderzocht en op 29 juni 2002 rapport uitgebracht. Vervolgens heeft de arts G.M. van der Molen, geneeskundig adviseur van verweerster, deze op 7 november 2002 geadviseerd de aanvraag van eiseres af te wijzen.

In navolging van dit advies heeft verweerster bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 december 1997 opnieuw ongegrond verklaard.

De Raad stelt vast dat verweerster aldus heeft voldaan aan de in de eerdere uitspraak gegeven opdracht om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Vervolgens heeft de Raad te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, ook overigens kan standhouden.

Onder verwijzing naar hetgeen de Raad in voornoemde uitspraak heeft overwogen omtrent het in deze te hanteren toetsingskader, merkt de Raad op dat het geschil zich wederom toespitst op de vraag of verweerster zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van eiseres niet een ernstige verstoring van levensomstandigheden heeft voorgedaan tengevolge van het verzet van haar vader, in die zin dat tijdens en in aansluiting op de oorlog bij de betrokkene symptomen van psychotraumatisering als gevolg van dat verzet zichtbaar zijn geweest in de ontwikkeling van de persoonlijkheid, respectievelijk haar psychosociaal functioneren nadien.

De Raad overweegt in dit verband dat uit de stukken blijkt dat de vader van eiseres bij het uitbreken van de oorlog beroepsmilitair was. Na de capitulatie werd hij gedemobiliseerd en overgeplaatst naar Nieuw Millingen en vervolgens in 1943 naar Apeldoorn. Vanaf die tijd dateert het verzet van de vader van eiseres. Hij pleegde onder meer sabotagedaden en er verbleven onderduikers in huis. Omstreeks oktober 1944 probeerde de SD hem in handen te krijgen. Er hadden enkele huiszoekingen plaats, de moeder van eiseres werd gearresteerd en enkele dagen vastgehouden en verhoord over haar man. De vader dook vervolgens tot de bevrijding onder, omdat hij gezocht werd. Na de oorlog was hij weer thuis tot hij begin 1947 als militair naar Indië werd uitgezonden. Vanwege ernstige ziekte van eiseres kwam hij eind 1948 over maar bij het verbeteren van haar gezondheid ging hij weer terug. Het gezin raakte daarna uit balans. Hoewel het niet tot een scheiding is gekomen heeft de vader het gezin verlaten toen eiseres ongeveer elf jaar was.

Evenals de arts M. Blom komt zenuwarts Hiddema op basis van zijn onderzoek en de overige beschikbare medische gegevens tot de slotsom dat het accent van het gemis van de vader meer bepaald moet zijn door de verwarde gezinssituatie van na de oorlog, waarin, behalve de afwezigheid van de vader in verband met zijn uitzending naar Indonesië, diens wisselende relaties die gecamoufleerd werden voor de buitenwereld ambivalente verhoudingen hebben teweeggebracht. Hiddema plaatst de neurotische ontwikkeling van eiseres vooral in deze naoorlogse situatie en is van oordeel dat in het geval van eiseres niet kan worden geoordeeld tot een ernstige verstoring van haar levensomstandigheden door het verzet van derden.

De geneeskundig adviseur van verweerster heeft de rapporten van zowel Hiddema als Tilanus in beschouwing genomen en merkt in zijn advies van 7 november 2002 op dat eiseres veel van haar problematiek attribueert aan de inbreuk die de bezetter tijdens de oorlogstijd heeft gemaakt op het toenmalige gezinsleven door bijvoorbeeld het verrichten van huiszoekingen en de kortdurende arrestatie van haar moeder. Zijnerzijds wordt niet ontkend dat er tijdens de oorlogsjaren problemen zijn geweest in het gezin, maar hij vermeldt dat ook niet uit het oog mag worden verloren dat de vader van eiseres als beroepsmilitair ook al vóór de aanvang van zijn verzetsactiviteiten meermalen voor korte of langere tijd niet in het gezin aanwezig was en dat uit de nu aanwezige gegevens, evenals uit de sociale anamnese, blijkt dat er bij betrokkene toch een nadrukkelijk accent is komen te liggen op vooral de naoorlogse gezinssituatie. De verzekeringsarts M. Blom (die eiseres op 18 november 1997 had onderzocht) en Hiddema belichten dit, aldus Van der Molen, adequaat, terwijl Tilanus er in zijn verslag wat aan voorbij lijkt te gaan.

In beroep heeft eiseres nog een nader medisch rapport d.d. 29 september 2003 van psychiater E. Gans doen overleggen. Volgens deze arts is er bij eiseres sprake van een hechtingsstoornis die is ontstaan in de vroege jeugd. Uit zijn rapport komt naar voren dat eiseres een zeer angstig kind was in haar eerste levensjaren en dat de sequentiële verlatingen door de geïdealiseerde vader, als steun en structuur biedende ander, de symbiotische binding van het kind met de moeder dusdanig heeft versterkt dat er sprake is van een pathologische symbiose met moeder, wat uiteindelijk een ernstige persoonlijkheidsstoornis heeft doen ontstaan.

Naar het oordeel van de Raad kan ook in dit rapport een bevestiging worden gezien voor het standpunt dat het verzet van de vader, dat de gezinssituatie nadelig heeft beïnvloed met name gedurende een betrekkelijk korte periode toen hij vanaf oktober 1944 gezocht werd (en eiseres reeds vier en een half jaar was), niet de belangrijkste oorzaak is geweest voor het ontstaan van de psychische problematiek van eiseres.

Gezien het vorenstaande is de Raad dan ook van oordeel dat de vraag, of verweerster zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van eiseres niet een ernstige verstoring van levensomstandigheden heeft voorgedaan tengevolge van het verzet van haar vader, bevestigend moet worden beantwoord.

Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het namens eiser ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) P.W.J. Hospel.