Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
02/6171 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag ambtenaar vanwege ernstig plichtsverzuim door het blijven verrichten van nevenwerkzaamheden terwijl de toestemming hiervoor was geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/29

Uitspraak

02/6171 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden- en West-Brabant, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 oktober 2002, nr. 02/415 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een verzoek van appellant is met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 26 maart 2003, nr. 03/606 AW-VV, de werking van de aangevallen uitspraak geschorst.

Namens gedaagde zijn nog twee verklaringen ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 april 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. L.W.H. van den Berg. Gedaagde is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door

mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAR Rechtsbijstand. Als getuige is verschenen en gehoord [naam getuige], wonende te [woonplaats].

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde is sinds 1986 in dienst van de politieregio Midden- en West-Brabant, laatstelijk in de functie van medewerker BPF-B in het team Oosterhout. Gedaagde heeft bij brief van 24 oktober 1999 aan de districtschef verzocht toestemming te verlenen om nevenwerkzaamheden te verrichten als zelfstandig adviseur voor het Nederlands Centrum voor Fiscaal en Sociaal Advies (NCFSA), waarbij gedaagde particulieren informeert over (pensioen)verzekeringen en tevens zogenaamde servicepakketten verkoopt. Bij besluit van 9 mei 2000 is geweigerd deze toestemming te verlenen. Hierbij zijn de desbetreffende werkzaamheden aangemerkt als verboden nevenwerkzaamheden in de zin van artikel 66, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Overwogen is dat bij de verkoop van een vertrouwensproduct een politieachtergrond een positieve invloed kan hebben op de verkoopresultaten. Voorts is het standpunt ingenomen dat de gehanteerde verkoopmethode, betiteld als colportage, bij kennissen en relaties, een reëel risico oplevert voor ongewenste vermenging van belangen. Daarnaast heeft appellant overwogen dat de colportageactiviteiten van het betrokken bedrijf minder gunstig bekend staan. Gedaagde is bij voormeld besluit verzocht om bedoelde nevenactiviteiten met onmiddellijke ingang te beëindigen. Dit besluit is na bezwaar en beroep in rechte komen vast te staan.

1.2. Bij besluit van 19 september 2001 is gedaagde met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp, met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim, kort samengevat, bestaande uit het na het onder 1.1. genoemde besluit van 9 mei 2000 blijven verrichten van de desbetreffende nevenwerkzaamheden. Hierbij is onder meer overwogen dat de methode van klantenwerving van het NCFSA niet onbesproken is, dat gedaagde zijn nevenwerkzaamheden heeft binnengebracht in zijn werkkring en daarmee de mogelijke belangenverstrengeling niet heeft beperkt, dat het vertrouwen in gedaagde onherstelbaar is geschaad en dat handhaving van gedaagde in zijn functie de geloofwaardigheid van het korps zou aantasten. Appellant heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 januari 2002.

2. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Met betrekking tot het verweten plichtsverzuim was de rechtbank van oordeel dat het voortzetten van de nevenwerkzaamheden door gedaagde nadat toestemming hiervoor was geweigerd en waarbij was verzocht de werkzaamheden onmiddellijk te beëindigen, zelfs nog nadat die weigering bij beslissing op bezwaar was gehandhaafd, als zeer ernstig plichtsverzuim moet worden gekwalificeerd. Dit plichtsverzuim achtte de rechtbank toerekenbaar. Het beroep van gedaagde op het gelijk- heidsbeginsel is verworpen. Wel was de rechtbank van oordeel dat appellant op grond van de omstandigheden niet in redelijkheid kon besluiten tot het opleggen van de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag. Daartoe is onder meer overwogen dat appellant niet adequaat heeft gereageerd op signalen dat gedaagde ook na 9 mei 2000 is doorgegaan met zijn verboden nevenactiviteiten, waartoe naar het oordeel van de rechtbank ook viel te rekenen het recruteren, opleiden en begeleiden van nieuwe medewerkers binnen het NCFSA. In feite heeft appellant het voortzetten van de nevenactiviteiten gedoogd, aldus de rechtbank.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Allereerst stelt de Raad vast dat, zoals van de zijde van appellant ook is betoogd, het aan gedaagde ten laste gelegde plichtsverzuim bestaat uit het in strijd met het onder 1.1. genoemde verbod verrichten van advieswerkzaamheden en de verkoop van servicepakketten voor het NCFSA. Appellant heeft in hoger beroep uitdrukkelijk naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het aan gedaagde verweten plichtsverzuim tevens omvatte het recruteren, opleiden en begeleiden van nieuwe medewerkers van het NCFSA. Het verrichten van deze activiteiten voor het NCFSA, zo is desgevraagd ook ter zitting namens appellant gesteld, leverde - ook al waren er door gedaagde kanttekeningen geplaatst bij die organisatie en al werd ook gerecruteerd bij collega's - geen plichtsverzuim op. De Raad stelt in verband daarmee vast dat het oordeel van de rechtbank dat appellant de nevenwerkzaamheden van gedaagde heeft gedoogd, voor dit deel misplaatst is.

3.2. De Raad is van oordeel dat op grond van de gedingstukken voldoende vast staat dat gedaagde na het onder 1.1. genoemde besluit van 9 mei 2000 niet onmiddellijk zijn advies- en verkoopactiviteiten heeft gestaakt. Ook na de beslissing op bezwaar van 3 oktober 2000 heeft gedaagde in ten minste één geval nog een servicepakket van het NCFSA verkocht.

3.3. Daarmee staat (ook) voor de Raad vast dat gedaagde zich niet heeft gedragen zoals een goed politieambtenaar betaamt. Appellant was daarom bevoegd gedaagde disciplinair te straffen.

3.4. De Raad kan het standpunt van appellant dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag, de zwaarst mogelijke straf, niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim niet onderschrijven. De Raad neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat aan de kant van appellant geen duidelijk en eenduidig standpunt is ingenomen met betrekking tot de effectuering van het verbod tot uitvoering van de nevenwerkzaamheden gedurende de bezwarenperiode; ook tijdens een functioneringsgesprek in juni 2000 is gedaagde bepaald niet duidelijk te verstaan gegeven dat hij reeds hangende de behandeling van het bezwaar deze werkzaamheden moest beëindigen. Voorts acht de Raad van belang dat de gewraakte advies- en verkoopactiviteiten van gedaagde, voorzover die uit de gedingstukken zijn gebleken, na het besluit op bezwaar van 3 oktober 2000 van zeer beperkte omvang waren. Slechts in één geval staat vast dat gedaagde advies- en verkoopactiviteiten heeft verricht. In een ander geval was kennelijk sprake van recrutering van de echtgenoot van een collega, hetgeen uiteindelijk resulteerde in verkoopactiviteiten. Tot slot heeft appellant, blijkens het onder 3.1. vermelde, andere door gedaagde voor het NCFSA verrichte activiteiten wel geaccepteerd, hetgeen kennelijk wil zeggen dat appellant zich bij nadere beschouwing weinig gelegen heeft laten liggen aan de omstandigheid dat de werkmethoden van het betrokken bedrijf bij appellant minder gunstig bekend stonden.

3.5. De Raad ziet temeer aanleiding voor het onder 3.4. weergegeven oordeel nu appellant in het geval van gedaagdes collega [naam getuige]. slechts de straf van voorwaardelijk ontslag heeft opgelegd, terwijl het plichtsverzuim van die collega naar het oordeel van de Raad in de kern identiek is. Weliswaar is [naam getuige]. via gedaagde dit werk gaan verrichten, maar hij heeft hiervoor, in strijd met het bepaalde in artikel 66, eerste lid, van het Barp, geen toestemming gevraagd. Voorts heeft deze collega zijn advies- en verkoopactiviteiten voor het NCFSA voortgezet tot begin 2001, terwijl hij van meet af aan op de hoogte was van de weigering van appellant om aan gedaagde toestemming voor deze werkzaamheden te verlenen. De Raad volgt appellant derhalve niet in zijn stelling dat er in betekenende mate verschil is te maken tussen het strafwaardig gedrag van appellant en dat van [naam getuige]..

4.1. Gezien het vorenstaande treft weliswaar een enkele grief van appellant tegen de aangevallen uitspraak, als hiervoor onder 3.1. aangegeven, doel. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de Raad tot een zelfde eindoordeel als de rechtbank komt met betrekking tot het bestreden besluit. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

4.2. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat er geen grondslag is om appellant te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade.

4.3. In het vorenstaande vindt de Raad wel aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

4.4. Van de politieregio Midden- en West-Brabant dient voorts op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een bedrag van € 409,- aan griffierecht te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de politieregio Midden- en West-Brabant;

Bepaalt dat van de politieregio Midden- en West-Brabant een griffierecht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.

Q