Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
02/5006 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het verzoek om vanwege het bereiken van de leeftijd van 55 jaar in aanmerking te komen voor de uitkering als bedoeld in artikel 8 van het SBK-OM terecht afgewezen?.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/5006 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens eiser is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen een namens verweerder op 5 augustus 2002 genomen besluit.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend en zijn de op het geding betrekking hebbende stukken ingezonden. Op verzoek van de Raad zijn van de zijde van verweerder inlichtingen verstrekt, onder bijvoeging van nadere stukken.

Op verzoek van de Raad heeft verweerder nogmaals nadere gegevens ingezonden en informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 november 2003. Daar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Pen, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. den Hertog, advocaat te 's-Gravenhage, en drs. J.Th.A.M. Berkhout, werkzaam bij het Parket-Generaal, als zijn gemachtigden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad de uitspraak in het onderhavige geding opgeschort tot na de behandeling van enkele andere gedingen tussen partijen ter zitting van de Raad van 25 maart 2004.

II. MOTIVERING

1. Eiser, geboren [in] 1946, was sedert geruime tijd werkzaam als officier van justitie eerste klasse bij het arrondissementsparket te Dordrecht. Op 20 maart 2001 is hij tevens belast met de waarneming van de functie van plaatsvervangend hoofdofficier bij dit parket.

2. Met het oog op een reorganisatie van het openbaar ministerie is bij koninklijk besluit van 6 september 1996, Stb. 464, het Sociaal beleidskader reorganisatie openbaar ministerie (hierna: SBK-OM) vastgesteld. Ingevolge artikel 16 is dit besluit in werking getreden op 1 oktober 1996 en vervallen per 1 oktober 2001.

2.1. In artikel 8 van het SBK-OM, zoals luidende sedert 1 januari 1998, is het volgende bepaald:

"1. In het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie kan aan de rechterlijk ambtenaar van 55 jaar of ouder tot

1 januari 1999, met diens instemming, eervol ontslag worden verleend.

2. De met toepassing van het eerste lid eervol ontslagen rechterlijk ambtenaar heeft recht op een uitkering krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959. De hoogte en de duur van de uitkering worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de desbetreffende bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 zoals die op 1 januari 1996 luidden."

2.2. Ingevolge artikel 15 van het SBK-OM kan de minister in bijzondere gevallen waarin de bij of krachtens dit besluit gestelde regels niet of niet naar redelijkheid en billijkheid voorzien, daarvan in voor de ambtenaar gunstige zin afwijken. In het navolgende zal de Raad deze bepaling ook aanduiden als de hardheidsclausule.

2.3. Op 16 augustus 2001 heeft eiser, onder verwijzing naar artikel 15 van het SBK-OM, verzocht wegens het bereiken van de leeftijd van 55 jaar in aanmerking te komen voor de uitkering als bedoeld in artikel 8 van het SBK-OM. Bij het thans bestreden besluit van 5 augustus 2002 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek bij besluit van 4 oktober 2001 ongegrond verklaard.

2.4. Aangezien eisers verzoek van 16 augustus 2001, naar hij ter zitting heeft beaamd, een verzoek behelsde om ontslag met toepassing van artikel 8 van het SBK-OM en derhalve onder de voorwaarde dat hem de daar genoemde uitkering zou worden toegekend, en namens verweerder is bevestigd dat het verzoek aldus is opgevat, merkt de Raad het bestreden besluit aan als de handhaving van de weigering om eiser met toepassing van de hardheidsclausule bij de Kroon voor te dragen voor een ontslag met toekenning van wachtgeld als bedoeld in artikel 8 van het SBK-OM. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad betreft de weigering een noodzakelijke voordracht aan de Kroon te doen een appellabel besluit.

Het bijzondere karakter van de ministeriële voordracht, die tot een besluit van de Kroon moet leiden, brengt mee dat de weigering een zodanige voordracht te doen in voldoende mate de afsluiting van een besluitvormingsproces markeert om deze conclusie te rechtvaardigen.

2.5. Eisers stelling dat na 1 januari 1999 via de hardheidsclausule nog toepassing aan artikel 8 van het SBK-OM kan worden gegeven ten behoeve van verzoekers die eerst na 1 januari 1999 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, wordt blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting niet langer betwist. Eiser heeft evenwel tevens aangegeven dat hij uit namens verweerder gedane uitlatingen en publicaties heeft mogen afleiden dat er sprake is van een beleid, waarop hij zou hebben mogen vertrouwen. Ter adstructie dat zodanig beleid daadwerkelijk werd gehanteerd en mede met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiser twee rechterlijke ambtenaren genoemd bij wie zulks ook zou zijn gebeurd. Subsidiair heeft eiser gewezen op bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om ten aanzien van hem gebruik te maken van de hardheidsclausule.

2.6. Verweerder heeft weliswaar erkend dat ook na 1 januari 1999 in beginsel nog toepassing aan de hardheidsclausule van het SBK-OM kan worden gegeven, maar heeft het bestaan van een daartoe strekkend beleid ontkend en geen grond gezien voor een bij eiser opgewekt, gerechtvaardigd vertrouwen ten aanzien van het bestaan van zodanig beleid. Verweerder heeft daarbij gewezen op de uitdrukkelijk genoemde expiratiedatum van de regeling, de eiser bekende afspraak dat de einddatum in geen geval verder zou worden opgerekt dan 1 januari 1999 en het feit dat eiser geen bevestiging voor het beweerde vertrouwen heeft gezocht. Volgens verweerder zijn de omstandigheden van de twee door eiser genoemde rechterlijke ambtenaren geenszins gelijk aan of te vergelijken met de situatie van eiser. Verweerder heeft ook overigens geen grond gezien om ten aanzien van eiser gebruik te maken van de hardheidclausule.

3.1. De Raad is van oordeel dat eiser niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat hij er op heeft mogen vertrouwen dat hij na 1 januari 1999 alsnog zou kunnen kiezen voor reorganisatieontslag met toepassing van artikel 8 van het SBK-OM. Eiser heeft van de beweerdelijk op 12 november 1998 gedane mededelingen over de doorgaande toepassing van artikel 15 van het SBK-OM onvoldoende onderbouwing gegeven. De door eiser als spreker op 12 november 1998 genoemde ambtenaar drs. B. heeft een en andermaal ontkend aldaar aanwezig te zijn geweest. Voorts is niet komen vast te staan dat de sprekers op die bijeenkomst namens verweerder zijn opgetreden, nog daargelaten wat er precies is gezegd.

3.2. De opmerking van procureur-generaal mr. B. over het bestaan van een gunstige 55-plusregeling in een interview in het Algemeen Dagblad van 28 januari 1999 is eveneens onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De door eiser bedoelde opmerking had betrekking op de omstandigheid dat aan hoofdofficieren andere eisen zouden worden gesteld dan voorheen. Enige toezegging omtrent het opschuiven van de einddatum na 1 januari 1999 is er niet in te lezen.

3.3. Evenmin mocht eiser uit de omstandigheid dat er na 1 januari 1999 nog enige implementatie van de reorganisatie plaatsvond en er nadere wijzigingen in de organisatie van het parket Dordrecht in gang werden gezet afleiden dat aan die in artikel 8 van het SBK-OM genoemde datum niet langer betekenis zou toekomen.

3.4. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin, reeds omdat eiser, anders dan de door hem genoemde rechterlijke ambtenaren, zijn verzoek niet vóór, maar geruime tijd ná 1 januari 1999 heeft ingediend. Ook overigens is er naar het oordeel van de Raad op relevante punten geen sprake van gelijke gevallen.

3.5. Eiser heeft in de bezwarenprocedure omstandigheden aangewezen die naar zijn mening de kwalificatie 'bijzonder' verdienen en die verweerder hadden moeten nopen om ten aanzien van hem toepassing te geven aan de hardheids- clausule. Eiser heeft gewezen op de grote belasting in voorgaande jaren door personele omstandigheden op het parket Dordrecht, op de voortdurende dreiging van afbreukrisico, op de na 1999 voortgaande reorganisatie op genoemd parket, op zijn door de reorganisatie aanmerkelijk verzwaarde leidinggevende taken en verantwoordelijkheden, op het feit dat hem in 1999 en 2000 meer dan eens in overweging is gegeven die leidinggevende taken neer te leggen, op de omstandigheid dat in 2001 getracht is om hem er uit te werken, op zijn minder goede gezondheid en op de druk die het onderzoek van de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa voor hem meebracht. Bij de hoorzitting op 15 mei 2002 heeft eiser een en ander nog eens samengevat in de stelling dat hij wordt vermalen door de effecten van de reorganisatie.

3.6. De Raad is van oordeel dat de keuze van verweerder in het bestreden besluit om bij de toepassing van artikel 15 van het SBK-OM slechts acht te slaan op bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan de expiratiedatum van het SBK-OM - 1 oktober 2001 - en die verband houden met de reorganisatie van het openbaar ministerie waarvoor het SBK-OM in het leven is geroepen, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

3.7. De Raad is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheden die eiser voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht niet in een zodanig rechtstreeks verband met de onderhavige reorganisatie staan dat zij tot toepassing van de hardheidsclausule zouden moeten leiden. Daarbij is van belang dat eiser, wat betreft zijn carrièrepositie, verhoudingsgewijs gunstig uit deze reorganisatie tevoorschijn is gekomen. Hij had zijn functie van officier van justitie eerste klasse behouden en de in het bezwaarschrift bedoelde strubbelingen met de plaatsvervangend hoofdofficier hebben ertoe geleid dat laatstgenoemde het veld heeft moeten ruimen. Eiser werd kennelijk in brede kring gezien als de toekomstige plaatsvervangend hoofdofficier en hij is in maart 2001 met de waarneming van die functie belast.

3.8. Dat nadien (wederom) problemen zijn ontstaan, maakt het vorenstaande niet anders. Met de onderhavige reorganisatie ten behoeve waarvan het SBK-OM tot stand is gekomen, was het veranderingsproces van het OM nog niet geëindigd. Er zijn nieuwe reorganisaties en moderniseringsoperaties gevolgd, die klaarblijkelijk tot onrust en fricties aanleiding hebben gegeven. Ook in de persoonlijke sfeer zijn samenwerkings-problemen opgetreden, die tot uitbarsting zijn gekomen toen eiser te kennen gaf de functie van plaatsvervangend hoofdofficier niet langer te ambiëren en het OM te willen verlaten. De Raad ziet er niet aan voorbij dat eiser moeite heeft gehad met de managementtaken waarmee de functie van officier van justitie eerste klasse was uitgebreid en dat die uitbreiding vooral in het kader van de onderhavige reorganisatie had plaatsgevonden. Eiser heeft de Raad er echter niet van kunnen overtuigen dat de vervulling van juist deze taken doorslaggevend is geweest bij het vastlopen van de samenwerking. Veeleer is sprake van een complex van factoren die zich te allen tijde in een organisatie kunnen voordoen, waaronder de onverenigbaarheid van de karakters van de betrokkenen. Voorzover eisers verslechterde gezondheidstoestand al verband zou houden met de reorganisatie - hetgeen door verweerder is bestreden - blijkt uit de gedingstukken dat ziekmelding heeft plaatsgevonden na expiratie van het SBK-OM.

3.9. Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden en moet eisers beroep ongegrond verklaard worden.

4. Aangezien de Raad ten slotte geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.