Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
02/4946 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kon betrokkene nog aanspraak maken op een blijvende vergoeding van vaste overuren op grond van artikel 2 van de Regeling OT 1982, ingevolge welke bepaling aan ambtenaren van 60 jaar en ouder voor het verlies van de vergoeding van vaste overwerkuren, een blijvende toelage toegekend wordt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/4946 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Bestuur van de Stichting Dienst Waterbeheer en Riolering Amsterdam en Amstel, Gooi en Vecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2002, nr. AWB 01/321, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en namens appellant is een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. Chr.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.H. van Soest, verbonden aan Vijverberg Juristen B.V. en A. Beelen, werkzaam ten behoeve van gedaagde.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende kort weergegeven feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 1 januari 1977 als ambtenaar in dienst getreden van het Zuiveringsschap van Amstel en Gooiland (hierna: ZAG) en hij is per 1 januari 1997 in ambtelijke dienst gekomen van de rechtsopvolger daarvan, de Stichting Dienst Waterbeheer en Riolering Amsterdam en Amstel, Gooi en Vecht (DWR), waarin onder meer de ZAG is opgegaan.

1.2. Voor hun deelname aan de storingswachtdienst ontvingen de betrokken personeelsleden van DWR een toelage wachtdienst. Voorts ontvingen zij een overwerkvergoeding voor de uren waarop tijdens de storingswachtdienst feitelijk gewerkt werd. Binnen de regio waarbij appellant werkzaam was gold tot 1 januari 2000 dat elke zaterdag en zondag op de installaties, los van storingsmeldingen, een vast aantal als overwerk aangemerkte uren per dag gewerkt werd, waarin controle en registratie plaatsvond.

1.3. Appellant heeft gedaagde bij brief van 29 november 1999 meegedeeld dat hij per februari 2000, in verband met het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, zou stoppen met het verrichten van wachtdiensten. Daarbij heeft hij verzocht om doorbetaling van de vaste overwerkuren die hij tijdens de wachtdienst placht te verrichten.

1.4. Bij besluit van 7 maart 2000 heeft gedaagde aan appellant, overeenkomstig het bepaalde in de op 4 november 1999 tot stand gekomen Regeling afbouw overwerkinkomsten in het kader van storingswachtdiensten (hierna: Rao 1999), met ingang van 1 februari 2000 een afbouwtoelage toegekend terzake van de vaste overwerkuren in het weekend tijdens de wachtdienst.

1.5. Bij brief van 17 april 2000 heeft appellant zich gekeerd tegen de getroffen afbouwtoelage omdat hij van mening was dat niet de Rao 1999 op hem van toepassing was, maar de op 1 januari 1982 in werking getreden Regeling overgangstoelage bij wegvallen/verminderen van overwerk in verband met storingswachtdiensten (hierna: Regeling OT 1982).

1.6. Bij besluit van 8 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de toekenning van de afbouwtoelage ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door appellant beroep ingesteld. Tijdens de beroepsprocedure heeft gedaagde het besluit van 8 december 2000 ingetrokken en in plaats daarvan een besluit, gedateerd op 23 april 2001 (hierna: het bestreden besluit), genomen waarin het bezwaar van appellant op andere gronden ongegrond is verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 8 december 2000 mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. Zij heeft vervolgens het beroep tegen het besluit van 8 december 2000 niet-ontvankelijk verklaard en gedaagde veroordeeld tot vergoeding van het door appellant voor dit beroep betaalde griffierecht en de door hem gemaakte proceskosten. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Op 1 januari 1997 is een aantal instanties, werkzaam op het gebied van waterzuivering, waterbeheer en riolering

- waaronder het ZAG - gefuseerd tot de DWR. Op de medewerkers van de DWR zijn, zoals ook is vermeld onder punt 12 van het ter gelegenheid van de fusie tussen de DWR en de werknemersorganisaties overeengekomen Akkoord Arbeidsvoorwaarden 1997/1998 (hierna: het Akkoord), met ingang van 1 januari 1997 de Sectorale arbeidsvoorwaarden- regelingen waterschapspersoneel (SAW) van toepassing verklaard, voorzover niet anders bepaald in de bij het Akkoord gevoegde bijlage.

3.2. In de bijlage bij het Akkoord is, voor wat betreft de Wachtdienstregeling, vermeld dat de ZAG-regeling wordt gevolgd. Hiermee is kennelijk bedoeld de met ingang van 1 april 1993 in werking getreden Wachtdienstvergoedingsregeling van het ZAG.

3.3. Dit heeft geleid tot hoofdstuk 3c, getiteld Wachtdienstvergoeding, van de Arbeidsvoorwaardenregelingen DWR 1998 (hierna: de Wachtdienstvergoedingsregeling 1998). Voor de vergoeding van de vaste overwerkuren in het kader van de wachtdienst verwijst artikel 3 van de Wachtdienstvergoedingsregeling 1998 naar de normale overwerkregeling.

3.4. Op 4 november 1999 heeft gedaagde de Rao 1999 vastgesteld. Hierin is bepaald dat er voor het wegvallen van het (vaste) overwerk tijdens wachtdiensten als gevolg van technische ontwikkelingen, een afbouwregeling zal worden toegepast. Het bestreden besluit, waarbij aan appellant een afbouw van zijn overwerkvergoeding is toegekend, is gebaseerd op deze regeling.

4. Namens appellant wordt gesteld dat hij nog aanspraak kan maken op een blijvende vergoeding van vaste overuren op grond van artikel 2 van de Regeling OT 1982, ingevolge welke bepaling aan ambtenaren van 60 jaar en ouder voor het verlies van de vergoeding van vaste overwerkuren wegens het buiten hun toedoen beëindigen of verminderen van de wachtdiensten, een blijvende toelage toegekend wordt. Dit zou volgens appellant voortvloeien uit:

a. artikel 7 van de Wachtdienstvergoedingsregeling 1998,

b. het Akkoord en de bijlage daarbij,

c. het eerste lid van artikel 7 van het Sociaal Statuut Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Statuut), opgesteld met het oog op de bij de fusie van 1 januari 1997 betrokken medewerkers.

5.1. Het beroep op artikel 7 van de Wachtdienstvergoedingsregeling 1998 faalt echter, omdat de daarin vermelde garantieregeling ziet op de garantiewachtdiensttoelage die in artikel 12 van de Wachtdienstvergoedingsregeling 1993 onder "Artikel 9" is neergelegd voor het wegvallen van de wachtdiensttoelage (dus niet het overwerk) van hen die al op 1 januari 1983 aan de wachtdienst deelnamen.

5.2. Het beroep op (de bijlage bij) het Akkoord faalt eveneens, nu daaruit blijkt dat bij de totstandkoming van het Akkoord expliciet is bezien welke van de SAW afwijkende regelingen zouden worden gehandhaafd. De bijlage bij het Akkoord geeft van die regelingen een opsomming en de Regeling OT 1982 is daarin niet opgenomen. Dit betekent dat, voorzover de Regeling OT 1982 niet reeds eerder was ingetrokken, er toch in elk geval bij de totstandkoming van het Akkoord en de Wachtdienstvergoedingsregeling 1998 voor gekozen is de Regeling OT 1982 niet voort te zetten.

5.3. Ook het beroep van appellant op artikel 7 van het Statuut treft geen doel, reeds omdat de overwerkvergoeding voor de uren als hier bedoeld niet valt onder de aanspraken of toelagen als bedoeld in dat artikel.

6. Dit alles leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit terecht geen toepassing heeft gegeven aan de Regeling OT 1982, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevallen, moet worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.G.J. Broekhuizen.