Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
02/2307 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvaarding werk. Inhouding op het wachtgeld. Herberekening wachtgeld. Is terecht bezwaar gemaakt tegen de gevolgde systematiek van verrekening van de reservering voor vakantie-uren?

Wetsverwijzingen
Rijkswachtgeldbesluit 1959 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2307 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 maart 2002, nr. 01/715 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 maart 2004, waar gedaagde in persoon is verschenen. Appellant heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde ontvangt sedert 1 januari 1994 een wachtgelduitkering op grond van het (toenmalige) Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb). De inkomsten die hij na zijn ontslag verwierf met werkzaamheden via een uitzendbureau werden, na vrijlating van f 1.680,- per maand in verband met zogenoemde aangehouden uren, met toepassing van artikel 8 van het Rwb verrekend met zijn wachtgelduitkering. Sedert 21 februari 2000 was gedaagde werkzaam via Manpower uitzendorganisatie BV (hierna Manpower), vanaf 21 augustus 2000 volgens het zogenoemde periode- en ketencontract. Naar aanleiding van een protest van gedaagde tegen een onverwachte inhouding van f 819,09 op zijn wachtgelduitkering over de maand december 2000, heeft appellant bij besluit van 17 januari 2001 de gronden voor en de wijze van herberekening van het wachtgeld over de maand december 2000 gespecificeerd.

1.2. Bij brief van 7 februari 2001 heeft gedaagde (onder meer) bezwaar gemaakt tegen de door appellant gevolgde systematiek van verrekening van de reservering voor vakantie-uren. Appellant telt het maandelijks door Manpower ten behoeve van vakantieuren gereserveerde bedrag, hoewel slechts gereserveerd en niet daadwerkelijk uitbetaald, in de vorm van een opslagpercentage bij het salaris van de desbetreffende maand en betrekt aldus de gereserveerde gelden bij de berekening van de anticumulatie met het wachtgeld over deze maand. De bezwaren van gedaagde betreffen uitdrukkelijk niet de wijze van verrekening van de vakantietoeslag.

Bij het bestreden besluit van 23 februari 2001 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit (in zoverre) vernietigd, met bepaling dat appellant een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van gedaagde en voorts met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 8 van het Rwb aldus moet worden uitgelegd dat de verlofuren moeten worden toegerekend aan de maand waarin ze daadwerkelijk worden opgenomen en uitbetaald. De rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat er geen reden is om daarbij onderscheid te maken tussen de situatie van vóór en ná 21 augustus 2000, omdat zowel voor als na die datum sprake was van reservering van gelden voor verlofuren.

2. Namens appellant is in het beroepschrift aangevoerd dat een uitzendkracht bij elke volledig gewerkte maand recht op 16 uur verlof/vakantie opbouwt, welke uren kunnen worden opgenomen in de vorm van vakantiedagen. Volgens appellant vallen de reserveringen onder het begrip inkomsten als bedoeld in artikel 8 van het Rwb. Het gereserveerde bedrag heeft betrekking op de gewerkte dagen. Het zijn ontvangsten in geld die het gevolg zijn van het verrichten van arbeid en waarmee de betrokkene is gebaat. Om die reden dient bij de verrekening van de inkomsten uit de werkzaamheden bij het uitzendbureau met het wachtgeld, het percentage van de reservering voor vakantiedagen te worden opgeteld bij het maandloon, aldus appellant.

2.1. Gedaagde heeft aangevoerd en ter zitting nader toegelicht dat het onredelijk is om de reservering voor de vakantieuren maandelijks te verrekenen, omdat dat er toe leidt dat die reservering voor 100% van zijn wachtgeld wordt afgetrokken, terwijl de gereserveerde gelden pas worden uitbetaald als hij vakantie opneemt; gedaagde ontvangt daardoor al 7 jaar lang bruto

f 400,- per maand minder aan wachtgelduitkering en is om betalingsachterstanden te voorkomen feitelijk niet in staat om verlofdagen op te nemen. Gedaagde heeft tegen die verrekeningswijze naar zijn zeggen wel eerder geprotesteerd, maar hij is er niet eerder in rechte tegen opgekomen. Zijn bezwaar tegen de verrekening in december 2000 strekt er daarom naar zijn zeggen toe, dat appellant niet alleen van het verrekeningbesluit van december 2000, maar ook van die eerdere verrekeningsbesluiten terugkomt.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. In artikel 8 van het Rwb is, verkort weergegeven, bepaald dat de inkomsten die de wachtgeldgerechtigde geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, met het wachtgeld worden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

3.2. In artikel 24, eerste, vijfde, zesde en zevende lid van de toepasselijke Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Uitzendkrachten 1999-2003 (hierna: de CAO) is voorzover in casu van belang, het volgende bepaald:

1. De uitzendkracht verwerft bij elke volledig gewerkte werkmaand recht op zestien uur vakantie, of een evenredig deel daarvan, indien niet een volledige werkmaand is gewerkt. De vakantie wordt opgenomen in de vorm van vakantiedagen.

5. Ter opbouw van het in lid 1 van dit artikel bedoelde recht ontvangt de uitzendkracht…….een aanvulling voor vakantiedagen, uitgedrukt in een percentage van het door hem of haar over de normale uren genoten basisuursalaris….

6. De in lid 5 bedoelde aanvulling wordt niet iedere week bij de wekelijkse uitbetaling uitgekeerd maar gereserveerd. Wanneer de uitzendkracht met inachtneming van het bepaalde in dit artikel vakantie opneemt en de uitzendovereenkomst blijft voorduren, komt de aanvulling alsdan in de plaats van de overeengekomen beloning, als ware op die dagen het normale of gemiddelde aantal uren gewerkt, voorzover de opgebouwde aanvulling toereikend is.

7. De uitzendkracht die werkzaam is in fase 3 of 4 heeft recht op doorbetaling van het overeengekomen loon gedurende zijn of haar vakantie voorzover het recht op vakantie krachtens lid 1 van dit artikel is verworven.

3.3. In artikel 28 onder B, achtste lid, van de CAO, is bepaald dat de uitzendkracht die bij het einde van de uitzend- overeenkomst nog aanspraak heeft op gereserveerde aanvullingen voor vakantiedagen of op doorbetaling van het overeengekomen loon gedurende zijn of haar vakantie, recht heeft op een uitkering in geld van deze aanspraak. In artikel 28 onder B, negende lid, van de CAO is bepaald dat de in de daaraan voorafgaande 12 maanden niet uitgekeerde aanspraken als bedoeld in het achtste lid, in elk geval in week 52 van elk jaar automatisch worden uitbetaald.

3.4. De Raad merkt op dat uit de hiervoor weergegeven bepalingen blijkt dat de CAO beoogt veilig te stellen dat de uitzendkracht (ook de uitzendkracht die nog betrekkelijk kort als zodanig werkzaam is) voorzover hij daartoe rechten heeft opgebouwd, betaalde vakantiedagen kan opnemen. De ter opbouw van het recht op vakantie verstrekte aanvulling op het uursalaris mag daarom volgens artikel 24, vijfde lid van de CAO, niet iedere week bij de salarisbetaling worden uitbetaald, maar dient te worden gereserveerd totdat de uitzendkracht vakantiedagen opneemt. Indien geen vakantiedagen worden opgenomen worden de reserveringen uitbetaald bij het einde van de uitzendovereenkomst of anders in de laatste week van ieder kalenderjaar.

3.4.1. Naar het oordeel van de Raad betekent het voorgaande tevens dat, voorzover het gaat om gereserveerde bedragen ten behoeve van vakantiedagen, pas gesproken kan worden van genoten inkomsten in de zin van artikel 8 van het Rwb, wanneer de reserveringen bij gelegenheid van het opnemen van vakantiedagen daadwerkelijk worden uitbetaald. Immers alsdan komen de gereserveerde aanvullingen in de plaats van de overeengekomen beloning alsof er op die dagen gewoon was gewerkt en worden over de alsdan genoten inkomsten de verplichte inhoudingen gedaan. Voor de uitzendkrachten die werkzaam zijn in fase 3 of 4 - dit betreft uitzendkrachten die al langere tijd als zodanig werkzaam zijn - is het verschil met een doorbetaalde vakantie, zoals geldend voor werknemers met een gewone arbeidsovereenkomst nog verder verkleind.

3.5. Naar aanleiding van het beroepschrift van appellant merkt de Raad op dat hij de stelling van appellant dat reserveringen onder het begrip inkomsten vallen, omdat de reserveringen beloningen in geld betreffen die het gevolg zijn van het verrichten van arbeid en waarmee de betrokkene is gebaat, op zichzelf onderschrijft. Nu evenwel die reserveringen ingevolge artikel 24, zesde lid van de CAO, pas (mogen) worden uitbetaald wanneer de betrokkene vakantie opneemt, of (ingevolge artikel 28 onder B, achtste en negende lid, van de CAO) moeten worden betaald bij het einde van de uitzendovereenkomst, dan wel in week 52 van het betreffende kalenderjaar, en aldus geen sprake is van inkomsten die bij niet onmiddellijke verrekening buiten de anticumulatie blijven, ziet de Raad geen grond voor het standpunt van appellant dat deze reserveringen in de maand van opbouw en niet pas bij daadwerkelijke uitbetaling met het wachtgeld moeten worden verrekend.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel is dat appellant ten onrechte de reservering voor vakantiedagen ter hoogte van 10,43% over het over de normale gewerkte uren genoten basisuursalaris, maandelijks bij de verrekening met het wachtgeld betrekt. Het standpunt van appellant dat de vergoedingen voor vrije dagen onder de met het wachtgeld te verrekenen inkomsten uit arbeid zijn te begrijpen, onderschrijft de Raad, maar die stelling is naar het oordeel van de Raad niet draagkrachtig ter onderbouwing van het gehanteerde tijdstip van verrekening van die gereserveerde vergoedingen.

3.7. Dit oordeel leidt er toe dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden dient te worden bevestigd. Appellant zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in de onderhavige uitspraak heeft overwogen.

3.8. Met het oog op het nader door appellant te nemen besluit wijst de Raad, ter voor-lichting van partijen, nog op hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 5 januari 2004, in het geding 02/4529 AW, LJN AO2035, TAR 2004, 47 en zijn uitspraak van

18 maart 2004, in het geding 02/4105 AW, LJN AO5922, heeft overwogen omtrent de beoordeling van verzoeken van een belanghebbende om terug te komen van rechtens onaantastbare besluiten in geval van zogenoemde duuraanspraken.

3.9. De Raad ziet aanleiding appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 24,64 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nader besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van deze Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, ten bedrage van € 24,64 aan reiskosten, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een recht geheven wordt van € 409,- .

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

Q