Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
02/541 NABW, 02/543 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vanwege het niet nakomen van de aflossing heeft gemeente onder werkgever beslag gelegd op het inkomen van betrokkene. Is het verzoek om voor het jaar 2000 de vakantietoeslag buiten het beslag te laten vallen terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 223

Uitspraak

02/541 NABW

02/543 NABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellante heeft mr. C. de Wolf, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 13 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 01/2356 en 01/2358 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

Met betrekking tot het geding met reg.nr. 02/541 NABW

Bij beschikking van 9 december 1992 heeft de kantonrechter vastgesteld dat de gemeente Amsterdam ten laste van appellante kon invorderen een bedrag van f 52.762,10 ter zake van gemaakte kosten van bijstand. Omdat appellante niet regelmatig aan haar aflossingsverplichtingen voldeed is op 19 november 1997 onder haar werkgever beslag gelegd op het inkomen van appellante. Die werkgever is verzocht alle bedragen boven de beslagvrije voet, waaronder de vakantietoeslag, in te houden en over te maken aan de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam.

Bij brief van 15 maart 2000 heeft appellante gedaagde verzocht om voor het jaar 2000 de vakantietoeslag buiten het beslag te laten vallen.

Bij brief van 24 mei 2000 heeft gedaagde appellante bericht dat dit verzoek is afgewezen. Gedaagde heeft hierbij overwogen dat de vordering waarvoor beslag is gelegd een relatief oude fraudevordering is met een hoog openstaand bedrag en dat na het ontstaan van die vordering bovendien nog een nieuwe vordering is ontstaan op grond van onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen.

Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Gedaagde heeft bij besluit van 11 mei 2001 (hierna besluit I) dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat de brief van 24 mei 2000 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1: 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat er geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit I ongegrond verklaard onder de overweging dat dit besluit op een deugdelijke grondslag berust.

Appellante heeft zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

Blijkens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de beslissing van gedaagde op het verzoek van appellante om de vakantie- toeslag voor het jaar 2000 buiten het onder de werkgever gelegde beslag te houden niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat aan één van de voorwaarden voor het kunnen aannemen van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb niet is voldaan. Dit betekent, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, dat gedaagde het tegen de in de brief van 24 mei 2000 neergelegde beslissing gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Hieruit vloeit voort dat de uitspraak van de rechtbank, voorzover op besluit I betrekking hebbende, dient te worden bevestigd.

Met betrekking tot het geding met reg.nr. 02/543

Naast de hierboven genoemde vordering van f 52.762,10 met als aanduiding 82400, is op 21 april 1997 een tweede vordering, met de aanduiding 80200, op appellante ontstaan eveneens ter zake gemaakte kosten van bijstand. Deze vordering bedraagt f 6.337,68.

Appellante heeft op 18 januari 1999 ter zake van de beide vorderingen gedaagde om kwijtschelding verzocht.

Bij besluit van 12 mei 2000 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan één van de criteria van het gemeentelijk beleid inzake artikel 78c van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit op bezwaar van 11 mei 2001 (hierna besluit II) heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat ter zake van de vordering 80200, die is ontstaan op 21 april 1997, nog geen vijf jaar is verstreken en dat daarom niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 78c.

Met betrekking tot vordering 82400 merkt gedaagde op dat aangezien de invordering plaatsvond door middel van beslag en dit beslag een gevolg was van wanbetaling niet is voldaan aan de vereisten van artikel 78c, eerste lid, onder a en b, van de Abw in verbinding met de Nota verantwoord afschrijven en punt 8.1.1. van de Werkvoorschriften.

De rechtbank heeft het tegen besluit II gerichte beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen - samengevat - dat ter invulling van de in artikel 78c van de Abw neergelegde bevoegdheid de Nota verantwoord afschrijven is vastgesteld, verder uitgewerkt in de Werkvoorschriften van gedaagde, en dat appellante niet voldoet aan de in de Nota en in de Werkvoorschriften geformuleerde criteria.

Appellante heeft zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 78c, eerste lid, van de Abw heeft gedaagde de bevoegdheid af te zien van terugvordering indien de belanghebbende:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan,

maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.

Artikel 78c, tweede lid, van de Abw bepaalt voorts dat de in het eerste lid, onder a en b, genoemde termijn drie jaar is indien:

- het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en

- de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid.

Met gedaagde is de Raad van oordeel dat ter zake van de vordering 80200 niet is voldaan aan de in artikel 78c, eerste lid, onder a van de Abw genoemde vijfjaren termijn. Gedaagde was derhalve ter zake van vordering 80200 niet bevoegd tot kwijtschelding.

Met betrekking tot vordering 82400 stelt de Raad vast dat ook ten aanzien hiervan niet is voldaan aan de in 78c van de Abw omschreven voorwaarden voor het afzien van terugvordering. De vordering dateert weliswaar uit 1992 maar appellante heeft niet gedurende vijf jaar volledig voldaan aan haar betalingsverplichtingen (artikel 78c, eerste lid, onder a), terwijl de aldus ontstane "gaten" ook later niet zijn opgevuld (artikel 78c, eerste lid, onder b). Evenmin is voldaan aan de overige in genoemde bepaling voor het afzien van terugvordering omschreven voorwaarden.

Dit betekent dat gedaagde op grond van artikel 78c van de Abw ter zake deze vordering evenmin tot kwijtschelding bevoegd was. De gemeentelijke beleidsregels, die geschreven zijn voor situaties waarin de in artikel 78c van de Abw bedoelde bevoegdheid wel bestaat en waaraan gedaagde ter zake van vordering 82400 heeft getoetst, zijn dan ook niet aan de orde.

De conclusie luidt dan ook dat het besluit van 11 mei 2001 voorzover dat ziet op de vordering 82400 op een ondeugdelijke motivering berust en in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van dit besluit in stand te laten nu, gelet op het vorenstaande, vaststaat dat terzake van vordering 82400 niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 78c van de Abw.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op besluit I;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze ziet op besluit II;

Verklaart het beroep tegen het besluit II gegrond;

Vernietigt besluit II voorzover dat ziet op vordering 82400;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 966,-- te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,23 ( f 240,71) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van P.N Rijnsewijn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) P.N Rijnsewijn