Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
03/5600 NABW, 04/717 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 219

Uitspraak

03/5600 NABW

04/717 NABW

U I T S P RA A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gemachtigde van appellant heeft mr. K.D. de Regter, advocaat te Lelystad, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 3 oktober 2003, reg. nr. 03/132 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank Zwolle heeft een nader door gedaagde genomen besluit van 28 november 2003 en een daartegen gericht beroepschrift aan de Raad doorgezonden.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg. nrs. 01/2188 NABW en 02/4918 NABW, behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad, terwijl gedaagde niet is verschenen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder de betaling van eisers uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (Abw) met ingang van 9 juli 1999 opgeschort. Namens eiser is tegen dit besluit op 16 juli 1999 bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 28 juli 1999 heeft verweerder eisers Abw-uitkering herzien over de periode van 1 januari 1997 tot en met

30 juni 1999 en beëindigd met ingang van 1 juli 1999. Hetgeen gedurende de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 ten onrechte aan eiser en [naam mw.] (verder te noemen: [naam mw.]) aan uitkering is uitbetaald ad f 55.483,19 (een bruto-bedrag ad f 46.744,68 betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 en een netto-bedrag ad f 8.738, 51 betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni 1999) heeft verweerder bij besluit van eveneens 28 juli 1999 van eiser teruggevorderd. Namens eiser is tegen deze besluiten op 29 juli 1999 bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de beëindiging van zijn bijstandsuitkering gegrond verklaard in dier voege dat de Abw-uitkering hervat dient te worden in samenhang met de Abw-uitkering van [naam mw.], zodat zij beiden de helft van de norm voor gehuwden ontvangen. Eisers bezwaren ten aanzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en de terugvordering ad f 55.483,19 heeft verweerder bij dit besluit ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dit besluit op 18 april 2000 beroep aangetekend. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van

15 maart 2002 gegrond verklaard en heeft het bestreden besluit vernietigd. Verweerder is opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen met in achtneming van de uitspraak."

Partijen hebben in de uitspraak van de rechtbank van 15 maart 2002 berust.

Ter uitvoering van die uitspraak heeft gedaagde op 20 december 2002 opnieuw op het gemaakte bezwaar tegen de primaire besluiten van 13 en 28 juli 1999 beslist en het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is de uitkering van appellant over de periode van 1 juli 1997 tot 1 juli 1999 - in samenhang met de bijstandsuitkering van [naam mw.] (hierna: [naam mw.])

- herzien naar de norm voor gehuwden. Tevens zijn de kosten van de over de genoemde periode aan appellant verleende bijstand op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van hem teruggevorderd. Voorts heeft gedaagde met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw de kosten van de aan [naam mw.] over de periode van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999 ten onrechte verleende bijstand mede van hem teruggevorderd. De terugvorderingsbedragen zijn vastgesteld op € 9.966,12 respectievelijk € 2.812,33. Tot slot heeft gedaagde gehandhaafd het standpunt dat de uitbetaling van de uitkering van appellant naar de norm voor een alleenstaande ouder met ingang van 9 juli 1999 terecht is opgeschort.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 december 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover het de opschorting betreft en, zelf voorziend, het opschortingsbesluit van 13 juli 1999 herroepen, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat met het nadere besluit van 28 november 2003 het besluit van 20 december 2002 niet wordt gewijzigd of ingetrokken terwijl het voorts is gebaseerd op een ander feitencomplex, zodat het besluit van 28 november 2003 niet beschouwd kan worden als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop is de Raad niet bevoegd om het beroepschrift, dat gericht is tegen dat besluit, in behandeling te nemen. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb zal de Raad het besluit van 28 november 2003 en het daartegen gericht beroepschrift doorzenden naar de rechtbank.

Met betrekking tot het besluit van 20 december 2002 overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt vast dat gelet op de inhoud van het hoger beroep en het verhandelde ter zitting in geding zijn de herziening en de terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 1999 alsmede de terugvordering van bijstand op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw over de periode van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999.

De herziening

Met betrekking tot de herziening heeft de rechtbank bij haar uitspraak van 15 maart 2002 geoordeeld dat appellant en [naam mw.] ten tijde hier in geding een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3 van de Abw. Blijkens het gestelde in het hoger beroepschrift en hetgeen ter zitting is aangevoerd kan appellant zich met dat oordeel niet verenigen. Aangezien appellant in die uitspraak van 15 maart 2002 heeft berust, kan hetgeen namens hem op het punt van de herziening is gesteld in de onderhavige hoger beroepsprocedure niet meer - inhoudelijk - aan de orde komen.

Door van deze gezamenlijke huishouding bij gedaagde geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.

Appellant kon derhalve ten tijde in geding niet langer als een zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd, zodat hij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder (tot 1 mei 1998), dan wel naar de norm voor een alleenstaande (vanaf 1 mei 1998). Gedaagde was dan ook gehouden om toepassing te geven aan artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Vervolgens heeft gedaagde het recht van appellant op uitkering vastgesteld naar de norm voor gehuwden. Van dringende redenen in de zin van artikel 69, vijfde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van die herziening af te zien is de Raad niet gebleken.

De terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat over het tijdvak 1 juli 1997 tot 1 januari 1999 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was over te gaan tot terugvordering van de kosten van de aan appellant over dat tijdvak ten onrechte verleende bijstand.

Met betrekking tot de terugvordering van appellant met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw van de aan [naam mw.] verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999 overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft doen betogen dat deze bepaling ten onrechte is toegepast aangezien [naam mw.] in het betrokken tijdvak bijstand ontving en een bijstandsuitkering niet kan worden beschouwd als vermogens- of inkomensbestanddeel als bedoeld in artikel 42 van de Abw, zodat zij geen persoon is als bedoeld in artikel 84, tweede lid, van de Abw met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw is voldaan indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 65 van de Abw achterwege is gebleven. Aangezien gelet op hetgeen hiervoor is overwogen voldaan is aan die voorwaarden, was gedaagde derhalve gehouden om ten aanzien van appellant over het betrokken tijdvak toepassing te geven aan deze bepaling.

De hoogte van de teruggevorderde bedragen is als zodanig niet bestreden. Van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien, is de Raad evenmin gebleken.

Slotoverwegingen

Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

BvW

224