Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
03/1776 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ernstig plichtsverzuim hoofdagent. Opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan hett plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/17

Uitspraak

03/1776 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2003, nr. AW 02/2386 HRK, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw en P.J. van den Hengel, beiden werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was laatstelijk in de rang van hoofdagent werkzaam in de functie van medewerker basispolitiezorg bij de politieregio Rotterdam-Rijmond, district Rotterdam-Centrum. Bij brief van 21 november 2001 heeft de betrokken districtschef appellant erop gewezen dat een disciplinair onderzoek gaande was naar vermeend plichtverzuim van appellant, bestaande uit het plegen van een poging tot doodsslag door middel van het inrijden met een auto op een medewerker van een restaurant en het mishandelen en bedreigen van medewerkers van dat restaurant op donderdag 21 juni 2001. Appellant is hierbij medegedeeld dat gezien het onderzoek van de officier van justitie in deze zaak de beslissing van de rechtbank zou worden afgewacht alvorens te beslissen over een mogelijk op te leggen disciplinaire straf.

Bij brief van 24 januari 2002 heeft voornoemde districtschef appellant evenwel bericht dat het proces-verbaal in bedoelde aangelegenheid naar zijn mening voldoende feitenmateriaal opleverde om daarop een voornemen tot een disciplinaire straf te baseren.

Vervolgens heeft gedaagde appellant bij brief van 13 februari 2002 doen weten dat uit het disciplinair onderzoek was gebleken van plichtverzuim, hieruit bestaande dat appellant op 21 juni 2001 een nader genoemd restaurant te Breda na aldaar te hebben gegeten zonder te betalen had verlaten. Dit leidde tot een woordenwisseling met de bedrijfsleider waarbij appellant bleef weigeren de rekening te voldoen. Appellant heeft deze bedrijfleider geschopt en geslagen en zich boven op hem geworpen waarna er een worsteling is ontstaan. Appellant is hierna op een zo agressieve manier met zijn bestelbus weggereden dat de bedrijfsleider opzij moest springen om niet te worden geraakt. Gezien de ernst van dit plichtsverzuim was gedaagde, naar hij verder mededeelde, voornemens appellant de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, zulks op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Nadat appellant terzake op 25 februari 2002 was gehoord, heeft gedaagde appellant bij besluit van 20 maart 2002 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en de onmiddellijke tenuitvoerlegging daarvan bevolen.

1.2. Bij het bestreden besluit van 25 juli 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 maart 2002 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft ook in hoger beroep allereerst als grief geuit dat de hiervoor onder 1.1. genoemde brief van 21 november 2001 van de districtschef bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat geen disciplinaire straf zou worden opgelegd voordat de rechtbank in de tegen hem aangevangen strafzaak vonnis zou hebben gewezen en dat dit vertrouwen is beschaamd. Dienaangaande is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat de brief van 21 november 2001 een informatief karakter draagt en gezien inhoud en strekking niet is bedoeld als een toezegging aan appellant. Hierbij merkt de Raad nog op dat vanwege gedaagde ter zitting naar voren is gebracht dat de brief is opgesteld nadat de districtschef van de officier van justitie inlichtingen had ontvangen waaruit was afgeleid dat de strafzaak bij de rechtbank op korte termijn zou kunnen worden afgerond. Uit nader verkregen informatie bleek evenwel dat de strafzaak langer zou gaan duren dan verwacht. Aangezien de districtschef en gedaagde voorts van opvatting waren dat de met betrekking tot de gedragingen van appellant opgemaakte processen-verbaal voldoende gegevens bevatten voor het vormen van een oordeel omtrent de op te leggen disciplinaire straf, is toen besloten het voornemen tot strafontslag reeds aan appellant kenbaar te maken. De Raad ziet geen grond aanwezig om aan deze weergave van de gang van zaken te twijfelen. In de gegeven omstandigheden is de Raad van oordeel dat niet kan worden volgehouden dat de brief van 21 november 2001 gedaagde ertoe had behoren te brengen om het resultaat van de strafzaak af te wachten alvorens disciplinaire maatregelen ten aanzien van appellant te nemen. Dit spreekt te meer nu de versnelling van de besluitvorming van gedaagde meebrengt dat appellant gedurende een kortere tijd in onzekerheid heeft behoeven te verkeren over de hem (mogelijk) op te leggen disciplinaire straf.

3.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door zich, zonder een eigen onderzoek, een oordeel te vormen op basis van de processen-verbaal uit de strafzaak. Gezien de inhoud van die processen-verbaal kon gedaagde hiermee in het onderhavige geval volstaan.

3.3. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde er op basis van de processen-verbaal terecht van is uitgegaan dat appellant zich heeft gedragen op een wijze als vermeld in de hiervoor onder 1.1. genoemde brief van 13 februari 2002 waarbij het ontslagvoornemen aan appellant is medegedeeld, zij het dat voor de Raad niet is komen vast te staan dat het agressieve wegrijden van appellant met zijn bestelbus het leven van de bedrijfleider van het restaurant in gevaar heeft gebracht. Dit laatste neemt evenwel niet weg dat gedaagde zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De omstandigheid dat appellant vermoeid was na een lange reis en klachten had over de snelheid van de bediening in het restaurant rechtvaardigt niet een ander oordeel. Bij dit alles is niet zonder betekenis dat appellant zijn door gedaagde gewraakte gedragingen pas in augustus 2001, toen hij zich moest melden bij de politie in Breda, bij zijn werkgever heeft gemeld. De door appellant in dit verband op de hoorzitting van 1 juli 2002 geponeerde stelling dat hij meende dat "het hele incident niets voorstelde", kan geenszins worden gedeeld. Door zijn optreden heeft appellant het in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd, de integriteit van het korps in diskrediet gebracht en het risico veroorzaakt dat de dienst schade wordt toegebracht. Dat dit optreden plaatsvond buiten diensttijd doet hier niet aan af.

3.4. Gezien het vorenstaande kwam gedaagde de bevoegdheid toe appellant een disciplinaire straf op te leggen. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan dit plichtsverzuim. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, gedurende 23 jaren zijn werkzaamheden tot tevredenheid van gedaagde en diens rechtsvoorganger heeft verricht, acht de Raad onvoldoende zwaarwegend voor het oordeel dat met een lichtere bestraffing had moeten worden volstaan. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4. Omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist hij als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.