Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
02/5929 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Besluit dat bezoldiging met 20% zal worden verminderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5929 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 oktober 2002, nr. AWB 02/389 AW I, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend waarop namens appellant is gereageerd.

Namens partijen zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. Coenegracht, advocaat te Maastricht en door J.L.M. Küppers en R.J.H. Kleintjens, beiden werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sedert 11 november 1974 op ambtelijke basis werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht (azM), laatstelijk in de functie van medewerker intern transport. Hij is ten gevolge van een hem in 1999 buiten de dienst overkomen ongeval op 10 januari 2000 definitief arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 6 januari 2001 is hem een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant is niet meer geschikt voor het vervullen van de eigen functie. Hij ondervindt beperkingen bij trekken/duwen, tillen/sjouwen, langdurig en/of veelvuldig hurken, klimmen/klauteren, langdurig lopen, ver voorover gebogen staan en dus in het algemeen bij fysiek zwaar belastend werk waarbij grote en/of langdurige kracht met beide benen dient te worden uitgeoefend.

1.2. Bij besluit van 25 september 2001 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 januari 2002 eervol ontslag verleend uit de dienst van het azM op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Bij besluit van 1 oktober 2001 heeft gedaagde onder toepassing van artikel 8.5, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Academische Ziekenhuizen 2001-2002 (CAO) beslist dat appellants bezoldiging met 20% zal worden verminderd. Deze besluiten zijn, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 februari 2002.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

Het ontslagbesluit

3.1. Ingevolge artikel 12.10, eerste lid, van de CAO kan aan de medewerker eervol ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Op grond van het tweede lid van die bepaling kan dat ontslag slechts plaatsvinden indien:

a de ongeschiktheid onafgebroken twee jaar heeft geduurd en;

b herstel binnen een periode van zes maanden na deze twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en;

c het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de medewerker binnen het gezagsbereik van de raad van bestuur andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de medewerker geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.

Tussen partijen is uitsluitend de vraag in geschil of gedaagde heeft voldaan aan de in artikel 12.10, tweede lid, aanhef en onder c, vermelde verplichting een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid de medewerker binnen het gezagsbereik van gedaagde andere arbeid aan te bieden. Appellant stelt dat gedaagde niet heeft voldaan aan die verplichting, gedaagde daarentegen voert aan dat het wel het geval is.

3.2. Appellant ziet het gebrek aan zorgvuldigheid waarmee gedaagde het herplaatsingsonderzoek heeft verricht reeds tot uiting komen in het volgens hem achterwege laten van het op grond van artikel 8.3, eerste lid, van de CAO verplichte reïntegratieonderzoek, uitmondend in een reïntegratieplan. De Raad overweegt dat het ontbreken van dit plan op zichzelf niet beslissend is voor de vraag of gedaagde heeft voldaan aan de in artikel 12.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de CAO vermelde verplichting. Dit argument van appellant slaagt dan ook niet.

3.3. De Raad stelt voorts vast dat vanaf maart 2000 tussen appellant en gedaagde gesprekken hebben plaatsgevonden die tot doel hadden na te gaan op welke wijze appellant in de organisatie van gedaagde te herplaatsen was. Voorts is appellant aangemeld als interne herplaatsings-/mobiliteitskandidaat en is door gedaagde een loopbaanadviserend onderzoek geëntameerd.

3.4. In de hiervoor in 3.3. bedoelde gesprekken is een aantal concrete functies genoemd en tussen partijen besproken. Het gaat hier om de functies van portier aan de slagboom, medewerker centrale afwaskeuken, medewerker postkamer, beheerder centraal medisch archief, medewerker centraal magazijntransport, servicemonteur/klusjesman en medewerker reproductie. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd over de wijze waarop deze functies onderwerp van het overleg tussen partijen zijn geworden overweegt de Raad dat het voor de beoordeling of het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig is geweest op zichzelf niet van belang is wie van partijen een bepaalde functie als mogelijkheid naar voren heeft gebracht.

3.5. De Raad stelt vast dat de rechtbank de twee eerstgenoemde functies niet reëel heeft geacht, de eerste omdat zij niet passend was en de tweede omdat zij niet tegemoet kwam aan de mogelijkheden van appellant. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en volstaat ermee naar de desbetreffende overwegingen te verwijzen.

3.6. De Raad kan gedaagde en de rechtbank niet volgen in het oordeel over de volgens gedaagde negatieve en volgens de rechtbank weinig actieve houding van appellant inzake de functie van medewerker van het centraal medisch archief. In de lijn van zijn uitspraak van 13 september 2001, LJN AD5013, TAR 2001, 157, overweegt de Raad dat de houding van appellant niet van doorslaggevende betekenis is te achten. Gedaagde kan zich dan ook niet op de houding van appellant beroepen bij zijn beslissing deze functie buiten beschouwing te laten. Hiermee is echter nog niet gezegd dat daarmee het herplaatsingsonderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest.

3.7. Bij haar beoordeling van het onderzoek ten aanzien van de resterende functies en al hetgeen gedaagde in dat verband heeft verricht heeft de rechtbank uitvoerige overwegingen gewijd aan elk van die functies. De stellingen dienaangaande van appellant in hoger beroep vormen in wezen een herhaling van die welke hij in eerste aanleg heeft opgeworpen, met dien verstande dat appellant het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de functie van servicemonteur/klusjesman niet heeft bestreden.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank die stellingen op de juiste gronden heeft verworpen en hij onderschrijft de desbetreffende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Met betrekking tot de functie van medewerker reproductie die aan een uitvoerig arbeidskundig onderzoek is onderworpen, tekent de Raad nog aan, dat gedaagde, naast hetgeen hij reeds eerder daarover naar voren heeft gebracht, ter zitting overtuigend heeft betoogd dat deze functie niet voor appellant geschikt was te maken dan met in redelijkheid niet van gedaagde te vergen organisatorische ingrepen.

3.8. De Raad onderschrijft ook de overweging van de rechtbank over de stelling van appellant dat hij in de zogenoemde PIM-dienst (een pakketdienst binnen gedaagdes organisatie) tewerkgesteld had kunnen worden namelijk dat gebleken is dat in dit project ten tijde hier van belang geen vacature voorhanden was.

3.9. Gezien het totaal van de hiervoor in 3.3., 3.7. en 3.8. bedoelde activiteiten van gedaagde deelt de Raad de conclusie van de rechtbank dat gedaagde voldoende inspanningen heeft verricht om tot herplaatsing van appellant te kunnen komen. Dat zulks uiteindelijk niet mogelijk is gebleken kan niet aan gedaagde worden verweten doch is, zoals ook de rechtbank terecht opmerkt, toe te schrijven aan enerzijds de omstandigheid dat appellant, gelet op zijn beperkingen en geringe vooropleiding, moeilijk herplaatsbaar was en anderzijds aan de omstandigheid dat er klaarblijkelijk niet meer functies beschikbaar waren bij gedaagde.

3.10. De aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het ontslagbesluit dient dan ook in zoverre te worden bevestigd.

Het besluit tot vermindering van de bezoldiging

3.11. Ingevolge artikel 8.5, eerste lid, van de CAO behoudt de medewerker die voor meer dan 55% van zijn arbeidsduur verhinderd is zijn arbeid te verrichten door ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek, gedurende de kalendermaand waarin zijn verhindering is ontstaan en vervolgens gedurende een termijn van 18 maanden zijn volle bezoldiging en daarna 80% van zijn bezoldiging tot het einde van zijn dienstverband. In de lijn van hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen stelt de Raad in de eerste plaats vast dat deze bepaling dwingendrechtelijk van aard is zodat gedaagde in beginsel niet de bevoegdheid toekomt appellant in afwijking daarvan de volle bezoldiging te verlenen na de vermelde termijn van

18 maanden.

3.12. Appellant is in hoger beroep van oordeel dat gedaagde aan deze bepaling geen toepassing had mogen geven omdat, naar zijn opvatting, gedaagde in gebreke is gebleven appellant te reïntegreren in arbeid in het azM. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze stelling, wat daarvan overigens zij, geen grond is die voor gedaagde aanleiding had behoren te zijn om, in afwijking van die hier aan de orde zijnde bepaling, appellant wél zijn volle bezoldiging door te betalen.

3.13. De aangevallen uitspraak moet gezien het voorgaande, ook worden bevestigd voorzover die uitspraak betrekking heeft op het besluit tot vermindering van appellants bezoldiging.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.