Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9408

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
01/3890 WAO, 01/3892 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geding is de hoogte van het ter zake van de WAO-uitkering vastgestelde dagloon en het daarop gebaseerde vervolgdagloon.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 14
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3890 WAO

01/3892 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluiten van 12 april 1999 en 25 augustus 2000 (hierna: de bestreden besluiten) heeft appellant beslist op de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van respectievelijk 9 november 1998 en 17 april 2000, betreffende respectievelijk de vaststelling van het dagloon en het vervolgdagloon ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO). Appellant heeft de bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 28 juni 2001, registratienummers 99/931 en 00/1812, de beroepen van gedaagde tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant aan gedaagde het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. M.G. Liebrand, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond te Rheden een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 januari 2004, waar namens appellant is verschenen

mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft van 11 september 1995 tot 11 december 1995 een opleiding tot heftruckchauffeur/magazijnmedewerker gevolgd en is vervolgens van 27 februari 1996 tot 21 februari 1997 als heftruckchauffeur werkzaam geweest gedurende vijf dagen per week. Aansluitend heeft gedaagde tot 7 maart 1997 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen, waarna hij via een uitzendbureau werkzaam is geweest als reachheftruckchauffeur in een 38-urige werkweek op vier dagen per week. In deze functie is gedaagde van 4 tot en met 16 november 1997 uitgevallen. Na hervatting is gedaagde op 9 december 1997 als gevolg van een bedrijfsongeval wederom uitgevallen en werd hem, na ommekomst van de voor hem geldende wachttijd, een uitkering ingevolge de WAO toegekend.

In geding is de hoogte van het ter zake van voormelde WAO-uitkering vastgestelde dagloon en het daarop gebaseerde vervolgdagloon.

Naar het oordeel van de rechtbank dient appellant bij de dagloonberekening uit te gaan van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Dagloonregelen WAO, waarbij het gewoonlijk uitgeoefende beroep van gedaagde dat van reachheftruckchauffeur is.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer gesteld het dagloon van gedaagde, met voorbijgaan van het bepaalde in de Dagloonregelen WAO, rechtstreeks te hebben gebaseerd op het in artikel 14 van de WAO neergelegde dervingsbeginsel. Daarbij heeft appellant rekening gehouden met de verdiensten van gedaagde in de functie van heftruckchauffeur alsmede de verdiensten in de functie van reachheftruckchauffeur. Appellant heeft de laatstgenoemde verdiensten niet gedeeld door het aantal door gedaagde gewerkte dagen, doch door het aantal werkbare dagen in de in aanmerking te nemen periode. Appellants benadering komt er derhalve op neer dat het in 38 uur per week door gedaagde verdiende loon geacht wordt niet in vier werkdagen (van 9 ½ uur) doch in vijf werkdagen per week te zijn verworven.

Appellant heeft erop gewezen dat hij de zogenoemde vast-loon-bepaling van artikel 7 van de Dagloonregelen WAO niet van toepassing acht omdat gedaagde in de functie van reachheftruckchauffeur per uur werd betaald, zoals gebruikelijk bij uitzendkrachten. Toepassing van de in artikel 3 van de Dagloonregelen WAO neergelegde wisselend-loon-bepaling zou volgens appellant leiden tot een te hoge uitkering, aangezien op basis van het in de vierdaagse werkweek verdiende dagloon over vijf dagen per week uitkering wordt verstrekt. Gedaagde zou in dat geval een uitkering van meer dan 93% van de verdiensten in het refertejaar ontvangen, hetgeen appellant in strijd met het dervingsbeginsel acht. Appellant heeft om die reden evenmin de wisselend-loon-bepaling toegepast.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de WAO zijn in de Dagloonregelen WAO nadere regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van het dagloon. De Raad stelt voorop dat de Dagloonregelen WAO niet voorzien in een uitputtende regeling, hetgeen betekent dat in gevallen waarin de regels niet voorzien, het dagloon met inachtneming van het in artikel 14 van de WAO neergelegde dervingsbeginsel dient te worden vastgesteld. Voorts wijst de Raad erop dat artikel 14, tweede lid, van de WAO geen ruimte biedt om van het dervingsbeginsel afwijkende regels te stellen. Indien de toepassing van de regels leidt tot de vaststelling van een dagloon dat niet in overeenstemming is met het in artikel 14 van de WAO neergelegde dervingsbeginsel, dienen de Dagloonregelen WAO buiten toepassing te worden gelaten.

De Raad stelt vast dat de Dagloonregelen WAO voor gevallen als het onderhavige geen specifieke regels kennen. Waar voor vaste medewerkers van het bedrijf waar gedaagde laatstelijk werkzaam was, het dagloon wordt vastgesteld op basis van 260 of 261 werkdagen per jaar met toepassing van de vast-loon-bepaling, voorzien de Dagloonregelen WAO niet in een corresponderende regel voor personen als gedaagde, die op hetzelfde rooster als dat van de vaste medewerkers gedurende vier maal 9½ uur per week op uurloon werkzaam was. De wisselend-loon-bepaling kan naar het oordeel van de Raad niet als corresponderende regel worden aangemerkt, nu deze bepaling leidt tot een resultaat dat niet in overeenstemming is met het in artikel 14 van de WAO neergelegde dervingsbeginsel. Gedaagde zou immers niet het op die wijze vastgestelde dagloon bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag kunnen verdienen. In vergelijking met de voorbedoelde vaste medewerkers blijkt het aldus vastgestelde dagloon eveneens te hoog. De Raad acht het bij gebreke van een voor het onderhavige specifieke geval geldende regel toelaatbaar dat appellant de vaststelling van het dagloon baseert op het dervingsbeginsel. Appellant heeft berekend dat het aldus vastgestelde dagloon resulteert in een WAO-uitkering van meer dan 80% van gedaagdes verdiensten in het refertejaar, zodat naar het oordeel van de Raad niet staande gehouden kan worden dat appellant met het op fl. 144,63 vastgestelde dagloon en het op fl. 137,03 vastgestelde vervolgdagloon een resultaat heeft bereikt dat, in het licht van het hiervoor genoemde dervingsbeginsel, als niet onaanvaarbaar kan worden aangemeld.

Het voorgaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen de bestreden besluiten ingestelde beroep gegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de inleidende beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.