Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
02/4975 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is in redelijkheid geweigerd om betrokkene met toepassing van artikel 6:5:7 van de CAR/UWO voor ieder kind van de drieling betaald ouderschapsverlof te verlenen?

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4975 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 augustus 2002, nr. AWB 01/1425 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 maart 2004, waar appellante in persoon is verschenen, vergezeld van haar partner J.P.N. Timmerman. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J.M. Reijmer, werkzaam bij de gemeente Buren.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is werkzaam als beleidsmedewerker Welzijn in dienst van de gemeente Buren. Bij brief van 4 december 2000 heeft appellante gedaagde verzocht om haar ouderschapsverlof met gedeeltelijk behoud van bezoldiging (hierna: betaald ouderschapsverlof) toe te kennen voor ieder kind van haar op komst zijnde drieling. Bij besluit van 26 februari 2001 heeft gedaagde appellante op grond van artikel 6:5 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkings- overeenkomst (hierna: CAR/UWO) betaald ouderschapsverlof toegekend voor één kind van haar drieling en aangegeven dat voor de andere twee kinderen aanspraak gemaakt kan worden op onbetaald ouderschapsverlof.

Het bezwaar van appellante tegen dat besluit is bij het bestreden besluit van 21 juni 2001 door gedaagde, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie ongegrond verklaard.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de CAR/UWO niet naar billijkheid voorziet in betaald ouderschapsverlof, omdat bij eenlingen voor elk kind afzonderlijk betaald ouderschapsverlof wordt verleend en bij meerlingen slechts aanspraak bestaat op betaald ouderschapsverlof voor één kind. Van gelijke behandeling is volgens appellante dan ook geen sprake, mede vanwege het feit dat een drieling veel meer kosten en fysieke c.q. mentale belasting voor de ouders met zich meebrengt dan een eenling.

2.1. Ter zitting heeft appellante erop gewezen dat bij de totstandkoming van de op 1 december 2001 in werking getreden Wet Arbeid en Zorg (hierna: WAZ) de gelijke behandeling van eenlingen en meerlingen als uitgangspunt is gehanteerd, welk uitgangspunt niet in de CAR/UWO is overgenomen, gelet op het onderscheid dat wordt gemaakt tussen kinderen van eenlingen en meerlingen bij het verlenen van betaald ouderschapsverlof. Volgens appellante is de CAR/UWO een verouderde en onredelijke regeling, die aanpassing behoeft en thans in zoverre buiten toepassing moet blijven.

2.2. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat het betaald ouderschapsverlof bij meerlingen expliciet en helder is geregeld in artikel 6:5:2 van de CAR/UWO en er derhalve geen reden was om op grond van de billijkheidsbepaling die is neergelegd in artikel 6:5:7 van de CAR/UWO een bijzondere regeling te treffen. De WAZ voorziet in onbetaald ouderschaps- verlof per kind. Appellante kan voor het tweede en derde kind aanspraak maken op onbetaald verlof op grond van de WAZ. Volgens gedaagde zijn er geen aanwijzingen dat de CAR/UWO in de toekomst op dit punt wordt gewijzigd. Noch de financiële situatie van appellante, noch de kosten en de belasting die het verzorgen van een meerling met zich meebrengt, zijn voor gedaagde redenen om betaald ouderschapsverlof toe te kennen.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. In artikel 6:5:2, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de ouder, die in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, recht heeft op ouderschapsverlof met gedeeltelijk behoud van bezoldiging. Op grond van artikel 6:5:2, derde lid, van de CAR/UWO bestaat bij twee- of meerlingen slechts voor één kind aanspraak op ouderschapsverlof. In artikel 6:5:7 van de CAR/UWO is bepaald dat burgemeester en wethouders voor gevallen waarin de regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, een bijzondere regeling kunnen treffen.

3.2. Allereerst is de Raad van oordeel dat de regeling van artikel 6:5:2, derde lid, van de CAR/UWO niet een regeling inhoudt waaraan zodanige ernstige feilen kleven dat dit artikellid niet ten grondslag mocht worden gelegd aan het in geding zijnde besluit. Voorzover appellante wil betogen dat de regeling van de CAR/UWO in strijd is met het gelijkheidsbeginsel slaagt dit beroep niet, omdat de situatie van een ouder die in verschillende jaren achtereenvolgens drie maal een kind krijgt, niet gelijk is aan die van de ouder die op een moment drie kinderen krijgt. De keuze van de regelgever om bij de geboorte van een meerling slechts een maal betaald ouderschapsverlof toe te kennen komt de Raad daarom niet onrechtmatig of onhoudbaar voor. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat de CAR/UWO ten opzichte van de WAZ een begunstigende regeling behelst van betaald ouderschapsverlof en dat het beperken van deze begunstigende werking tot het verlenen van betaald ouderschapsverlof naar de omvang van het verlof voor een kind, ook bij de geboorte van een meerling, niet ongeoorloofd geacht kan worden.

Dat in de WAZ is gekozen voor een gelijke aanspraak op onbetaald verlof voor ieder kind, ook bij de geboorte van een meerling, maakt niet dat de in de CAR/UWO gemaakte keuze in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

3.3. Ook de toepassing van artikel 6:5:2 van de CAR/UWO komt niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Appellante heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat haar positie in relevante mate op één lijn is te stellen met de positie van collega's die in drie op zichzelf staande geboortes drie eenlingen hebben gekregen. De geboorte van meerlingen in één gebeurtenis en de gelijktijdige zorg die daarna volgt, is immers wezenlijk verschillend van de geboorte van meerdere eenlingen. Bovendien is de Raad niet gebleken van gevallen waarin gedaagde in afwijking van de CAR/UWO aan ouders van meerlingen voor meer dan één kind betaald ouderschapsverlof heeft toegekend.

3.4. De Raad dient vervolgens te beoordelen of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen weigeren om appellante met toepassing van artikel 6:5:7 van de CAR/UWO voor ieder kind van de drieling betaald ouderschapsverlof te verlenen.

Dienaangaande overweegt de Raad dat niet is gebleken dat de toepassing van de CAR/UWO in het geval van appellante leidt tot een door gedaagde niet voorziene en met de strekking van de CAR/UWO strijdige uitkomst, noch heeft de toepassing daarvan geleid tot een onbillijke uitkomst. Dit in aanmerking nemend komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen toepassing te geven aan artikel 6:5:7 van de CAR/UWO.

4. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.