Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
02/3623 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na reorganisatie is betrokkene in een nieuwe functie geplaatst. Heeft betrokkene terecht bezwaren tegen de plaatsing in die nieuwe functie? Wijze van besluitvoerming in strijd met Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:8, geldigheid: 2004-05-06
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2004-05-06
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2004-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/247 met annotatie van EvdL

Uitspraak

02/3623 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 mei 2002, nr. AWB 1/286 AW I, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn desgevraagd nog enkele stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. J. Lamme, verbonden aan juridisch adviesbureau Apol & Lamme. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

ir. F.G. Janssen, directeur Arbeidsinspectie regio Zuid, en door H. Boot, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Arbeidsinspectie regio Zuid te Roermond. Sedert 1994 vervulde hij de functie van medewerker clusteradministratie, met salarisschaal 7. Bij brief van 17 april 2000 is hem meegedeeld dat hij in het kader van de reorganisatie functieprofiel binnendienst per 15 april 2000 wordt geplaatst in de functie medewerker actief/reactief, eveneens met schaal 7. Daarbij is aangegeven dat, indien appellant geen bedenkingen indient, deze brief na twee weken het karakter krijgt van een definitief besluit, waartegen binnen zes weken na het van kracht worden schriftelijk bezwaar kan worden gemaakt.

1.2. Appellant heeft op 22 juni 2000 tegen het plaatsingsbesluit een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit van 23 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Blijkens dit besluit was de benaming van de nieuwe functie inmiddels gewijzigd in clustermedewerker projectsecretaris/reactief.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Primaire besluitvorming en bezwaar.

2.1. Zoals onder 1.1. aangegeven, heeft gedaagde in de brief van 17 april 2000 een standpuntbepaling neergelegd die ten tijde van de verzending nog een voorlopig karakter droeg. Indien binnen twee weken bedenkingen werden ingediend, zou de brief worden aangemerkt als een voornemen tot besluitvorming als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuurs- recht (Awb). Door het ongebruikt verstrijken van de bedenkingentermijn zou de brief evenwel, naar de bedoeling van gedaagde, gaan gelden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en vatbaar worden voor bezwaar binnen de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken.

2.2. De Raad acht, ambtshalve oordelend, deze wijze van besluitvorming in strijd met hetgeen in de Awb is bepaald omtrent de totstandkoming en bekendmaking van besluiten. Daarmee is niet verenigbaar dat een schriftelijke standpuntbepaling van het bestuursorgaan pas na de verzending daarvan het voor een rechtshandeling - en dus voor een besluit - vereiste definitieve karakter verkrijgt, zonder enige nadere besluitvorming of bekendmaking, uitsluitend op grond van omstandig- heden buiten de macht van het bestuursorgaan. De daarmee in dit geval samenhangende aanknoping van de bezwaartermijn aan het ongebruikt verstrijken van de bedenkingentermijn - hoewel op zichzelf consequent - verdraagt zich voorts niet met het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 3:41 van de Awb, op grond waarvan de bezwaartermijn moet worden gerekend vanaf de dag na de verzending.

2.3. Dit gebrek in de primaire besluitvorming behoeft echter niet tot vernietiging van de bestreden beslissing op bezwaar te leiden, nu niet is gebleken dat appellant daardoor in enig opzicht in zijn belangen is geschaad. Omtrent het - inmiddels - definitieve karakter en de strekking van de primaire beslissing heeft in de loop der tijd tussen partijen geen twijfel bestaan. In de bezwaarprocedure heeft appellant de waarborgen genoten die voortvloeien uit de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb. De ontvankelijkheid van het bezwaar is terecht aangenomen, nu het ervoor moet worden gehouden dat de brief van 17 april 2000 eerst omstreeks 28 april 2000 is verzonden en appellant bij het maken van bezwaar de door gedaagde in die brief opgenomen rechtsmiddelenclausule heeft opgevolgd.

3. De omstreden plaatsing.

3.1. Het geschil draait in wezen om de vraag of gedaagde appellant terecht heeft aangemerkt als een functievolger, wiens oude functie van medewerker cluster-administratie "één-op-één" is teruggekeerd in de nieuwe functie van cluster- medewerker projectsecretaris/reactief. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag naar de passend- heid van die nieuwe functie niet aan de orde. Evenmin is dan aan de orde of, naar appellant stelt, de nieuwe functie van landelijk projectsecretaris voor hem (meer) passend is en, zo ja, of dit betekent dat hij daarin zonder sollicitatie had moeten worden benoemd.

3.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad ervan uit dat de oude functie van medewerker clusteradministratie onder meer de administratieve begeleiding omvatte van projecten met een preventief karakter, die in de regel bedrijfstaksgewijs werden uitgevoerd. Deze projecten werden hetzij regionaal hetzij op landelijke schaal uitgevoerd; in het laatste geval werden zij vanuit één van de regio's gecoördineerd. Gedaagde heeft aannemelijk gemaakt dat de projecten ongeveer 50% van de taak van een medewerker clusteradministratie besloegen, terwijl de andere 50% betrekking had op reactief optreden naar aanleiding van ongevallen en klachten. De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om de stelling van gedaagde voor onjuist te houden dat, ten tijde hier van belang, het landelijke werk ongeveer 15 tot 20% van het totale projectwerk uitmaakte. Dit betekent dat de administratieve begeleiding van landelijke projecten gemiddeld zo'n 8 à 10% van de volledige taak van een medewerker clusteradministratie omvatte. Kenmerkend voor die landelijke werkzaamheden was vooral het coördinerende voor- en nawerk. De eigenlijke uitvoering van de landelijke projecten geschiedde destijds op regionaal niveau en onderscheidde zich niet principieel van de uitvoering van "eigen" regionale projecten.

3.3. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheid dat de landelijk coördinerende taken zijn overgegaan naar de nieuw ingestelde functie van landelijk projectsecretaris, niet met zich brengt dat de functie waarin appellant is geplaatst niet meer kan worden aangemerkt als de voortzetting van de oude functie van medewerker clusteradministratie. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij in verhouding tot zijn collega's extra zwaar met landelijke projecten was belast, maar voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat dit in zodanige mate het geval was dat om die reden moet worden gezegd dat zijn oude functie niet in de nieuwe organisatie is teruggekeerd. Ook de omstandigheid dat de uitvoerende taken van het hoofd clusteradministratie bij de reorganisatie op het niveau van appellants nieuwe functie zijn ondergebracht, rechtvaardigt die conclusie niet. Voorheen fungeerde het hoofd clusteradministratie als meewerkend voorman. Gesteld noch gebleken is dat zijn uitvoerende taken wezenlijk anders waren dan die van zijn ondergeschikten.

3.4. Hetgeen in hoger beroep overigens is aangevoerd, vooral betrekking hebbende op de - naar ook gedaagde erkent - niet altijd even gelukkige voorbereiding en uitvoering van de reorganisatie, kan evenmin leiden tot het oordeel dat appellant ten onrechte als functievolger is aangemerkt.

3.5. Het bestreden besluit houdt derhalve in rechte stand en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

26.04