Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
02/3486 t/m 02/3512 en 3514 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen op voorwaarden die destijds zijn gesteld aan de vergunningverlening ten behoeve van nevenwerkzaamheden in het ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/128

Uitspraak

02/3486 t/m 02/3512 en 3514 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

Appellant 1 en 13 anderen, tevens gedaagden, hierna: betrokkenen,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Groningen, gedaagde, tevens appellant, hierna: de RvB.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Partijen hebben op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2002, nrs. AWB 99/472 t/m 478 AW V04, AWB 99/480 AW V04 en AWB 99/482 t/m 487 AW V04, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Door ieder der partijen is een verweerschrift ingediend, waarop over en weer is gereageerd.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 25 maart 2004, waar namens betrokkenen is verschenen mr. C.I. van Gent, advocaat te 's-Gravenhage. Betrokkenen 2 en 10 zijn voorts in persoon verschenen. De RvB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Th. Snoek, advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen zijn allen in ambtelijk dienstverband werkzaam als anesthesist bij het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: het AZG). Naast hun ambtelijke bezoldiging ontvingen zij inkomsten uit het verrichten van nevenwerkzaamheden in de vorm van het voor eigen rekening voeren van een medische praktijk in het ziekenhuis ten behoeve van, derde klasse verzekerde, particuliere niet-poliklinische patiënten. Bij brief van 22 november 1971 heeft de Minister van Onderwijs en Wetenschappen ermee ingestemd dat binnen het AZG de mogelijkheid zou worden geboden om nevenwerkzaamheden in diensttijd te verrichten. Ter uitvoering van één van de in die brief neergelegde voorwaarden is op 21 december 1971 door de RvB de regeling verstrekking extra toelagen aan stafleden werkzaam in het AZG (hierna: de 3A regeling) vastgesteld. Op basis van die regeling werd het medisch specialisten toegestaan nevenwerkzaamheden te verrichten als bovenvermeld onder de voorwaarde dat van de door het AZG ten behoeve van de medisch specialisten geïnde bedragen 20, later 21%, werd ingehouden voor administratiekosten en compensatie voor de door het ziekenhuis ontvangen lagere verpleegprijs van de 3A patiënten. Daarnaast werd 10% ingehouden ten behoeve van een vereveningsfonds voor alle specialismen. Op de neveninkomsten van betrokkenen werden inhoudingen toegepast overeenkomstig deze regeling.

1.2. Medio 1998 hebben betrokkenen zich tot de RvB gewend met het verzoek vanaf dat moment op de geïnde bedragen slechts een kortingspercentage van 4 in te houden, zoals neergelegd in de in 1981 in werking getreden Honoreringsregeling medische specialisten in academische ziekenhuizen (hierna: de honoreringsregeling) en de daarbij behorende richtlijnen ter effectuering van de honoreringsregeling (Beschikking van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 14 mei 1982). Bij besluiten van 30 oktober 1998 en

4 december 1998 heeft de RvB ten aanzien van betrokkenen individueel afwijzend op dit verzoek beslist, daartoe overwegend dat geen aanleiding wordt gezien terug te komen van, of een wijziging aan te brengen in, de voorwaarden waaronder eerder aan betrokkenen vergunning is verleend voor het voeren van een medische praktijk voor eigen rekening. Deze besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten van 2 april 1999.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten van 2 april 1999 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten gegeven. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat haar niet van een toestemming voor het voeren van een medische praktijk voor eigen rekening is gebleken, dat zodanige toestemming niet kan worden gelezen in de zogenoemde Verklaring en Volmacht voor de medisch specialist - niet hoogleraar en dat de bestreden besluiten door uit te gaan van een verleende toestemming op een onjuiste feitelijke grondslag berusten. De besluiten zijn wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

3. De grieven van partijen.

3.1. De RvB heeft aangevoerd dat het vereiste van vergunning ten tijde hier van belang was neergelegd in artikel 82, eerste lid, en onder a, van het met ingang van 1 januari 1992 voor het AZG geldende Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (RRAZ). Met de ondertekening door de RvB van de Verklaring en Volmacht van betrokkenen heeft de RvB bedoelde vergunning verleend. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

3.2. Ook betrokkenen stellen zich op het standpunt dat zij vergunning hadden voor het uitoefenen van een eigen praktijk in het ziekenhuis. Zij menen dat de RvB aan die vergunning een onjuiste voorwaarde heeft verbonden, te weten het hanteren van een onjuist kortingspercentage op de neveninkomsten. Zij bepleiten vernietiging van de bestreden besluiten op verbeterde gronden en hebben voorts grieven naar voren gebracht met betrekking tot de hoogte van de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling.

4. Het hoger beroep van de RvB.

4.1. In navolging van de rechtbank en overeenkomstig hetgeen partijen hieromtrent ter zitting hebben verklaard stelt de Raad vast dat de bestreden besluiten moeten worden aangemerkt als de gehandhaafde afwijzing van een verzoek tot terugkomen of wijziging van aan een vergunning verbonden voorwaarden, uitsluitend voor de toekomst. Die vergunning ziet op het verrichten van nevenwerkzaamheden in het kader van de ambtelijke rechtspositie van betrokkenen. Anders dan de rechtbank en met partijen is de Raad van oordeel dat zodanige vergunningen wel zijn verleend. Daartoe zij verwezen naar de in geding gebrachte Verklaring en Volmacht van betrokkenen, waarin aan het slot staat vermeld dat de RvB "vergunning verleent tot het voeren van een particuliere praktijk ex artikel 82 RRAZ", en ondertekening door de RvB vooraf gegaan wordt door de woorden "voor verlening vergunning". De Verklaring en Volmacht van betrokkenen 2, 4, 1, en 9, alle daterend van vóór de inwerkingtreding van het RRAZ, vermelden niet dat vergunning wordt verleend, maar uit de ondertekening door de voorzitter van de RvB na de woorden "voor bezit toestemming" dan wel "voor verlening toestemming" dient naar het oordeel van de Raad te worden afgeleid dat aan hen eveneens toestemming is verleend, welke heeft te gelden als vergunning in de zin van het inmiddels geldende artikel 82 van het RRAZ.

4.2. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat sedert de vergunningverlening op de door betrokkenen gegenereerde neveninkomsten een inhoudingspercentage van in totaal 30, later 31, is gehanteerd. Naar het oordeel van de Raad geschiedde dit ter uitvoering van een voorwaarde die geacht moest worden aan de vergunning te zijn verbonden.

4.3. De rechtbank heeft dit miskend. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van de RvB slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu de rechtbank nog geen inhoudelijk oordeel heeft uitgesproken over hetgeen partijen verdeeld houdt zal de Raad, mede gelet op hetgeen daaromtrent van de zijde van partijen is verklaard, met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

5. Gelet hierop en op de inhoud van de grieven van betrokkenen, behoeven de hoger beroepen van betrokkenen geen verdere behandeling.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

07.04