Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
02/6061 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestond de bevoegdheid het toegekende wachtgeld gedeeltelijk vervallen te verklaren omdat betrokkene niet heeft voldaan aan zijn verplichting actief te solliciteren en is in redelijkheid besloten een maatregel inhoudende een vervallenverklaring voor 20 % van het toegekende wachtgeld gedurende 16 weken op te leggen?

Wetsverwijzingen
Wijzigingsbesluit Rijkswachtgeldbesluit 1959, enz.
Wijzigingsbesluit Rijkswachtgeldbesluit 1959, enz. 13
Wijzigingsbesluit Rijkswachtgeldbesluit 1959, enz. 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6061 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 november 2002, nr. AWB 02/289 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde, zoals tevoren aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1.1. Met ingang van 15 maart 1998 is aan appellant ontslag verleend uit zijn betrekking bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die hij gedurende 18 uur per week vervulde. In verband met dit ontslag heeft gedaagde aan appellant een wachtgeld toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) over de periode 15 maart 1998 tot 1 juli 2014.

1.2. Bij brief van 9 juni 2000 is appellant geïnformeerd over de wijzigingen van het Rwb met het oog op de bevordering van de reïntegratie van wachtgeldgerechtigden. Deze wijzigingen hebben volgens die brief voor een wachtgeldgerechtigde onder andere tot gevolg dat hij verplicht wordt actief te gaan solliciteren, tenzij door hem een schriftelijke verklaring van zijn voormalige werkgever wordt overgelegd waaruit blijkt dat bij zijn ontslag de afspraak is gemaakt dat appellant niet verplicht was actief te solliciteren. Blijkens genoemde brief zijn de nieuwe spelregels vastgelegd in de zogeheten Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag, Staatscourant 21 januari 2000, nr. 15, waarin is omschreven hoe de inzet wordt beoordeeld en welke sancties eventueel van toepassing zijn.

1.3. Aangezien appellant niet een zodanige verklaring van zijn voormalig werkgever heeft overgelegd heeft gedaagde appellant bij brief van 11 oktober 2000 (voorlopig tot dat de verklaring van de voormalig werkgever zou zijn ontvangen) als sollicitatieplichtig aangemerkt. In het gesprek dat appellant vervolgens op 31 oktober 2000 met de reïntegratieconsulent van ABP-reïntegratie heeft gehad, heeft hij aangegeven dat hij op medische gronden niet beschikbaar is voor werk, maar dat hij ondanks het advies van de reïntegratieconsulent om hem moverende redenen niet bereid is zich ziek te melden. De reïntegratieconsulent heeft vervolgens de verzekeringsgeneeskundige J.d.K. ingeschakeld, die appellant op 6 november 2000 thuis heeft onderzocht en zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 9 november 2000.

1.4. Appellant heeft van 15 januari 2001 tot 1 oktober 2001 gedurende 12 uur per week bij sportschool " De Gezonde Zaak", gevestigd te 's-Gravenhage, betaalde werkzaamheden verricht.

1.5. Bij besluit van 27 september 2001 heeft gedaagde het aan appellant toegekende wachtgeld met toepassing van artikel 13, derde lid, aanhef en onder e, van het Rwb, gedurende 16 weken, te weten over de periode van 1 oktober 2001 tot 21 januari 2002, voor 20% vervallen verklaard, onder de overweging dat appellant niet ernstig tracht werk te vinden.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 19 december 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen dit bestreden besluit in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich met deze uitspaak niet kunnen verenigen. In hoger beroep volhardt hij in zijn standpunt dat hij niet sollicitatieplichtig is omdat in de regelgeving zoals die luidde toen hij werd ontslagen niet de verplichting tot solliciteren was opgenomen. Wel was appellant op grond van die regelgeving verplicht zich in te schrijven bij het Arbeidsbureau. Hieraan heeft hij voldaan en is door het Arbeidsbureau vervolgens ingedeeld in de categorie "niet bemiddelbaar".

Verder is appellant van oordeel dat hij niet te reïntegreren is wegens zijn psychische klachten en dat, als hij al verplicht kan worden te solliciteren, dat uitsluitend mogelijk is met begeleiding van een psycholoog. Hiervoor verwijst hij naar rapporten van twee psychologen opgesteld in de periode vóór zijn ontslag en naar het rapport van 9 november 2000 van de door gedaagde ingeschakelde verzekeringsgeneeskundige J.d.K. Aan de inhoud van deze rapporten is gedaagde naar het oordeel van appellant ten onrechte voorbijgegaan.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In artikel 13, derde lid, aanhef en onder e, van het Rwb, is bepaald dat het recht op wachtgeld geheel of ten dele vervallen kan worden verklaard indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden. Ten tijde hier in geding werd door gedaagde bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 13, derde lid, van het Rwb het beleid gevoerd zoals neergelegd in de in 1.2. genoemde Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag (hierna: de Sanctieregeling).

Onder "niet ernstig tracht werk te vinden" , als bedoeld in artikel 13, derde lid, aanhef en onder e, van het Rwb, wordt ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Sanctie-regeling in elk geval de volgende gedraging verstaan: de betrokkene wordt of blijft werkloos omdat hij in onvoldoende mate tracht werk te verkrijgen.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van de Sanctieregeling bedraagt de hoogte en duur van de maatregel op grond van artikel 13, derde lid, aanhef en onder e, van het Rwb, 20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of nalaten, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Sanctieregeling.

In artikel 7, eerste lid, van de Sanctieregeling is vervolgens bepaald dat indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van betrokkene daartoe aanleiding geeft, het percentage genoemd bij de maatregelen, bedoeld in (onder andere) artikel 4 van de Sanctieregeling, wordt gehalveerd. In het derde lid van artikel 7, van de Sanctieregeling is bepaald dat geen maatregel wordt opgelegd indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting.

4.2. Allereerst dient de Raad de vraag te beantwoorden of gedaagde bevoegd was om het aan appellant toegekende wachtgeld gedeeltelijk vervallen te verklaren, onder de overweging dat appellant in de periode in geding niet heeft voldaan aan zijn verplichting actief te solliciteren, waardoor hij niet ernstig heeft getracht werk te vinden. Partijen verschillen met name erover van mening of appellant in de periode in geding verplicht was te achten te solliciteren. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. De Raad stelt voorop dat, anders dan appellant meent, de in 2000 gewijzigde regelgeving in het Rwb die hiervoor in 4.1. is vermeld, op appellant van toepassing is geworden nu er geen overgangsrechtelijke bepaling aanwijsbaar is op grond waarvan op appellants geval het daarvóór geldende regime toepasselijk is gebleven.

4.2.2. De Raad stelt voorts vast dat appellant geen verklaring heeft overgelegd van zijn voormalig werkgever waaruit blijkt dat de sollicitatieverplichting niet voor appellant gold.

4.2.3. Appellant heeft gesteld dat destijds bij zijn ontslag naar aanleiding van twee psychologische rapporten is vastgesteld dat hij in verband met psychische klachten niet te reïntegreren was en dat hij in de periode in geding ook niet in staat was om te solliciteren aangezien zijn psychische klachten sedert zijn ontslag niet zijn verminderd. Dienaangaande merkt de Raad op dat hem uit het rapport van 9 november 2000 van de namens gedaagde ingeschakelde verzekeringsgeneeskundige J.d.K. niet is gebleken van zodanige belemmeringen op grond van ziekte of gebrek dat gedaagde appellant in de periode in geding redelijkerwijs niet aan zijn sollicitatieplicht kon houden. In dit verband wijst de Raad met name op het oordeel van de verzekeringsgeneeskundige dat appellant niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten is aan te merken. Nu appellant zich in de periode in geding ook niet vanwege zijn psychische klachten heeft ziekgemeld en hij in 2001 nog gedurende een periode van 10 maanden heeft gewerkt, bestond er voor gedaagde naar het oordeel van de Raad te minder aanleiding appellant niet aan de bedoelde verplichting te houden.

4.2.4. Dat appellant voorafgaande aan de sanctieoplegging gedurende een periode van 10 maanden bij de sportschool "De Gezonde Zaak" betaalde werkzaamheden heeft verricht, ontsloeg hem evenmin van zijn sollicitatieverplichting. Het was appellant immers reeds bij aanvang van deze werkzaamheden bekend dat deze tijdelijk waren, aangezien de sportschool op 1 oktober 2001 zou sluiten. Verder was appellant gedurende 12 uren per week bij de sportschool werkzaam, terwijl zijn wachtgelduitkering was gebaseerd op een verlies van 18 arbeidsuren, zodat appellant in die periode nog voor 6 uren werkloos was.

4.3. Gezien het vorenstaande is de Raad met gedaagde van oordeel dat appellant in de periode in geding verplicht was te solliciteren. Nu tussen partijen niet in geschil is dat appellant in die periode niet heeft gesolliciteerd meent de Raad dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de verplichting van artikel 13, derde lid, aanhef en onder e, van het Rwb niet is nagekomen, zodat gedaagde bevoegd was appellants recht op wachtgeld geheel of ten dele vervallen te verklaren.

4.4. De Raad moet vervolgens de vraag beantwoorden of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten een maatregel inhoudende een vervallenverklaring voor 20 % van het aan appellant toegekende wachtgeld gedurende 16 weken op te leggen.

4.4.1. Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat bij gedaagde twijfel is gerezen omtrent de juistheid van het opleggen van een sollicitatieverplichting aan appellant, nadat appellant had aangegeven dat ten tijde van zijn ontslag zijn voormalig werkgever en het Arbeidsbureau op basis van twee psychologische rapporten het standpunt hadden ingenomen dat appellant niet te reïntegreren was en dat hij daarom uitsluitend met begeleiding van een psycholoog wenste te solliciteren. Ten einde hierover meer duidelijkheid te verkrijgen is van de zijde van gedaagde vervolgens de verzekeringsgeneeskundige J.d.K. ingeschakeld. Ook deze verzekeringsgeneeskundige heeft in zijn rapport van 9 november 2000 geoordeeld dat betrokkene gezien zijn persoonlijkheid niet te reïntegreren is. Desondanks heeft gedaagde niet terstond een besluit genomen waarin is aangegeven of en zo ja, welke gevolgen dit oordeel van J.d.K heeft voor het al dan niet (voort)bestaan van de sollicitatieverplichting van appellant, zodat hieromtrent bij appellant onduidelijkheid is ontstaan.

4.4.2. Hierin, alsmede in de omstandigheid dat appellant voorafgaande aan de sanctieoplegging gedurende 10 maanden 12 uur per week betaalde werkzaamheden heeft verricht, had gedaagde naar het oordeel van de Raad aanleiding moeten zien om te bepalen dat er bij appellant sprake was van verminderde verwijtbaarheid met betrekking tot het niet nakomen van de sollicitatieverplichting dan wel het in onvoldoende mate trachten werk te verkrijgen.

4.4.3. De Raad ziet in genoemde omstandigheden echter geen aanleiding om te oordelen dat iedere verwijtbaarheid met betrekking tot het niet nakomen van zijn sollicitatieverplichting bij appellant ontbreekt, zeker nu op de aan appellant in de periode na het onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige J.d.K. toegezonden maandelijkse informatieformulieren nog wel vermeld stond dat appellant sollicitatieplichtig was.

4.5. Gezien het vorenstaande had gedaagde op grond van artikel 7, eerste lid, van de Sanctieregeling het percentage van de opgelegde maatregel moeten halveren.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Ook het besluit van 27 september 2001 zal worden vernietigd. De Raad acht het geraden om ter finale beslechting van het geschil tussen partijen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf te voorzien, op een wijze als hierna is aangegeven.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit alsmede het besluit van 27 september 2001;

Stelt de hoogte en duur van de per 1 oktober 2001 ingaande maatregel vast op 10% gedurende 16 weken;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 111,04 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.G.J. Broekhuizen.

HD

29.03

Q