Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
28-06-2004
Zaaknummer
01/5661 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstandsuitkering in verband met vermogen ontstaan door uitbetaald bedrag van verzekering. Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 239
RSV 2004, 249

Uitspraak

01/5661 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 24 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak met reg.nr. 00/1401, waarnaar hierbij wordt verwezen. Appellant heeft daarbij tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 12 februari 2002 heeft de voorzieningenrechter van de Raad de werking van de uitspraak van de rechtbank Utrecht geschorst.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht, en waar gedaagde is verschenen in persoon.

II. MOTIVERING

Aan bovenvermelde uitspraak van de voorzieningenrechter, waarin appellant als verzoeker is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

" Gedaagde is op 2 januari 1998 een ernstig skiongeval overkomen, waardoor zij een dwarslaesie heeft opgelopen en blijvend invalide is geraakt. Zij had bij Postbank Verzekeringen een verzekering afgesloten die recht op uitkering geeft bij blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval. Deze verzekeraar keerde haar op 22 september 1998 een voorschot op de uitkering uit van f 15.000,--. In februari 1999 werd de uitkering door de verzekeraar definitief vastgesteld op een som ineens groot f 130.500,--. Na aftrek van het reeds verstrekte voorschot werd het bedrag van de uitkering vermeerderd met een rentevergoeding, totaal f 116.508,25, vervolgens aan gedaagde uitbetaald.

Verzoeker besloot de met ingang van 2 januari 1998 aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in te trekken.

Voorts besloot verzoeker de kosten van verleende bijstand over de periode van 2 januari 1998 tot en met 31 juli 1999 tot een bedrag van f 20.057,45 van gedaagde terug te vorderen met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw.

Tegen dit laatste besluit maakte gedaagde bezwaar. Dit bezwaar werd bij besluit van 26 juni 2000 gedeeltelijk gegrond verklaard, kort gezegd omdat gedaagde nader van oordeel was dat uit een oogpunt van bijstandsverlening 60% van de uitgekeerde vergoeding wegens geleden immateriële schade kon worden vrijgelaten en dat tevens rekening moest worden gehouden met een studieschuld. Dit leidde niet tot wijziging van het terug te vorderen bedrag.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 26 juni 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank kon verzoeker niet tot de conclusie komen dat de uitkering voor immateriële schade betrekking had op de omstandigheden waarin gedaagde verkeerde in het jaar 1998. Gebleken is, aldus de rechtbank, dat gedaagde eerst in februari 1999 de beschikking heeft gekregen over het bedrag van de uitkering voor immateriële schade. Voorts is overwogen dat de keuring van gedaagde in januari 1999 heeft plaatsgevonden en dat uit niets blijkt dat de vergoeding is toegekend met betrekking tot een bepaald tijdvak."

Verzoeker heeft dit oordeel in hoger beroep onder meer als volgt bestreden:

"Wij zijn evenwel van oordeel, dat art. 82, aanhef en onder a van de Abw een terugvorderingsgrond geeft indien bepaalde middelen of aanspraken daarop in beginsel aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. De uitleg van de rechtbank dat eerst wanneer men feitelijk beschikt over de middelen (de datum van uitbetaling van die gelden) bepalend is voor de ingangsdatum van de terugvordering delen wij dan ook niet. Wij menen dat op de datum waarop het skiongeval plaatsvond, in casu 2 januari 1998, in beginsel een aanspraak op middelen is ontstaan en niet op de datum waarop deze middelen feitelijk aan de belanghebbende betaalbaar zijn gesteld. Dat de uitbetaling van deze middelen is gerelateerd aan en eerst later verrichte medische keuring doet hieraan naar ons oordeel niet af.".

De Raad stelt op grond van de stukken eerst vast dat de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 juli 1999 tussen partijen niet meer in geschil is in verband met de vanaf 1 januari 1999 aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In geding is nog slechts het besluit tot terugvordering voorzover dat ziet op de gemaakte kosten van bijstand over het tijdvak van 2 januari 1998 tot en met 31 december 1998, een bedrag van f 7.817,--.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw worden kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voorzover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Anders dan appellant heeft aangenomen biedt genoemd artikel een zelfstandige grondslag voor terugvordering en is een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit niet vereist.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op basis van dit artikel dient over te gaan tot terugvordering dient allereerst bezien te worden of tijdens dan wel na afloop van de bijstandsverlening ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover bijstand is verleend. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 4 maart 2003, onder meer gepubliceerd in RSV 2003/118 en USZ 2003/149) geldt als uitgangspunt dat indien recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval de aanspraken ter zake worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van dat ongeval. Dat is slechts anders indien er voldoende, op objectieve gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere periode dienen te worden toegerekend. Hiervan is de Raad in dit geval niet gebleken.

Met betrekking tot de vraag of en in hoeverre het gaat om in aanmerking te nemen middelen overweegt de Raad het volgende.

Artikel 7 van de Abw bepaalt dat recht op bijstand bestaat indien de betrokkene in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 43, tweede lid, aanhef en onder j (oud), alsmede artikel 52, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw schrijven voor dat niet tot de middelen en niet tot het vermogen wordt gerekend een uitkering in verband met geleden immmateriële schade voorzover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Gedaagde heeft in februari 1999 uit hoofde van een reisverzekering met ongevallendekking de beschikking gekregen over een bedrag van f 116.508,25, zijnde 87% van het maximaal uit te keren bedrag bij blijvende invaliditeit (f 150.000,--) onder aftrek van het eerder verstrekte voorschot ad f 15.000,-- en vermeerderd met rente. Het betreft hier een zogeheten sommenverzekering waarbij geen onderscheid is gemaakt naar de soort van schade.

Van de zijde van gedaagde is steeds benadrukt dat het gehele bedrag als een immateriële schadevergoeding moet worden bestempeld. Met appellant ziet de Raad geen aanleiding ter zake een ander standpunt in te nemen nu in de voorhanden zijnde gegevens aanknopingspunten ontbreken dat niettemin een deel van het uitgekeerde bedrag in verifieerbare mate is bestemd voor geleden materiële schade.

Zoals uit de hierboven weergegeven bepalingen van de Abw blijkt, worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen tot de middelen gerekend, tenzij het een immateriële schadeuitkering betreft voorzover het buiten beschouwing laten daarvan bij de middelentoets uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Appellant heeft bij de vermogensvaststelling, naast het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, van de uitgekeerde schadevergoeding een bedrag van f 78.904,95 buiten aanmerking gelaten en voorts op het resterende bedrag een bedrag van f 17.000,-- wegens aflossing van een bestaande studieschuld in mindering gebracht. Daarmee resteerde volgens appellant een vermogen van f 52.054,95 dat, zou gedaagde hierover bij de aanvang van de bijstandsverlening hebben beschikt, aan bijstandsverlening over de in geding zijnde periode in de weg zou hebben gestaan. De Raad heeft geen grond gevonden om van een lager bedrag dan van f 52.054,95 uit te gaan. Daarbij wordt nog opgemerkt dat - anders dan appellant heeft gedaan - het vrij te laten vermogen, zoals dat gold ten tijde van de aanvang van de bijstandsverlening (f 9.700,--) en niet zoals dat gold ten tijde van de ontvangst van de middelen (f 9.850,--) in aanmerking moet worden genomen.

De Raad miskent niet dat het ongeval op 2 januari 1998 voor gedaagde zowel in lichamelijk als in geestelijk opzicht tot zeer ernstige gevolgen heeft geleid, doch dit kan, gelet op het karakter van de Abw als laatste bestaansvoorziening bezien in samenhang met de omvang van de verkregen schadeuitkering, er niet toe leiden dat, zoals gedaagde heeft bepleit, het gehele bedrag aan ontvangen schadevergoeding bij de vaststelling van haar vermogenspositie buiten aanmerking dient te blijven.

Gelet op de omvang van het in aanmerking te nemen vermogen had gedaagde, indien zij daarover van meet af aan de beschikking zou hebben gehad, gedurende de gehele in geding zijnde periode in de voor eigen rekening blijvende noodzakelijke bestaanskosten kunnen voorzien, zodat appellant terecht tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 2 januari 1998 tot en met 31 december 1998, in totaal een bedrag vanaf. 7.817,--, is overgegaan.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat appellant niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal voorts het inleidende beroep gegrond verklaren, het besluit van 26 juni 2000 vernietigen voorzover dit ziet op de intrekking en ten slotte, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het primaire besluit van 19 augustus 1999 vernietigen voorzover daarbij het recht op bijstand is ingetrokken.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarin omtrent griffierecht en proceskosten is beslist;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 juni 2000 voorzover dit ziet op de intrekking van het recht op bijstand;

Vernietigt het besluit van 19 augustus 1999 voorzover daarbij tot intrekking van het recht op bijstand is besloten;

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) P.N. Rijnsewijn

MvK02064