Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2004
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
01/3810 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid voor aanvang werk via uitzendbureau; niet WAO-verzekerd.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/191 met annotatie van L.E. Willemen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3810 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift - met bijlagen - aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Assen onder dagtekening 17 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, kenmerk 00/612 WAO P04.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 januari 2003 heeft de Raad geantwoord op een schrijven van appellant van 17 december 2002 inzake de voortgang van de procedure.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming van belang zijnde feiten en omstandigheden:

"Omstreeks maart 1999 is eiser met Randstad Uitzendbureau (verder te noemen: Randstad) overeengekomen om ingaande 29 maart 1999 uitzendarbeid voor laatstgenoemde gaan verrichten. Nog vóór aanvang van de eerste werkzaamheden heeft eiser zich ziek gemeld en sindsdien heeft eiser geen arbeid meer verricht. Voorafgaand aan het beoogde moment van aanvang van zijn werkzaamheden voor Randstad had eiser geen dienstbetrekking en ontving hij een Abw-uitkering van de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Meppel.

Naar aanleiding van eisers ziekmelding heeft verweerder op 19 mei 1999 een beslissing genomen omtrent eisers recht op uitkering van ziekengeld, inhoudende dat eiser geen recht op zodanige uitkering kon doen gelden. Als motivering voor deze weigering heeft verweerder aangegeven dat eiser reeds arbeidsongeschikt was op de datum van de aanvang van de verzekering en dat verweerder om die reden op grond van artikel 44, lid 1, aanhef en sub a, Zw, gerechtigd was de uitkering te weigeren.

Het bezwaarschrift dat verweerder tegen laatstbedoeld besluit heeft ingediend is ongegrond verklaard onder wijziging van de primaire afwijzingsgrond. Verweerder heeft daarbij overwogen dat geen recht op uitkering van ziekengeld bestond aangezien eiser niet als verzekerd kon worden aangemerkt op het moment dat hij zich per 29 maart 1999 arbeidsongeschikt meldde. Subsidiair heeft verweerder zijn aanvankelijke weigeringsgrond gehandhaafd.

Het beroep dat eiser vervolgens heeft ingesteld tegen verweerders beschikking op bezwaar is bij uitspraak van deze rechtbank d.d. 6 januari 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht. Aangezien eiser tegen deze uitspraak geen verzet heeft aangetekend is verweerders Ziektewetbeslissing daarmee in beginsel rechtens onaantastbaar geworden.

Nadat verweerder aan eiser ambtshalve een aanvraagformulier voor een uitkering krachtens de WAO had toegezonden heeft eiser op 7 januari 2000 laatstbedoelde aanvraag bij verweerder ingediend, in het kader waarvan verweerder een geneeskundig onderzoek heeft doen verrichten.

De verzekeringsgeneeskundige heeft blijkens zijn rapportage d.d. 10 februari 2000 vastgesteld dat eiser vanwege een reeds langdurende alcoholverslaving en daarmee gepaard gaande nevenaandoeningen en -verschijnselen geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. In verband daarmee is door de verzekeringsgeneeskundige advies uitgebracht om eiser met toepassing van art. 30, lid 1 sub a (subs. 1b), WAO minder dan 15% arbeidsongeschikt te achten.

Bij primair besluit van 15 februari 2000 heeft verweerder aan eiser een WAO-uitkering geweigerd met als motivering dat eiser reeds bij aanvang van een eerder dienstverband per 15 september 1998 volledig arbeidsongeschikt was. Verweerder heeft hierbij onder meer verwezen naar artikel 30, lid 1, sub a, WAO, op grond waarvan verweerder grechtigd zou zijn om onder laatstbedoelde omstandigheden een WAO-uitkering te weigeren.

Op 6 maart heeft eiser tegen voornoemd besluit een bezwaarschrift ingediend, in het kader waarvan eiser op 9 mei 2000 door verweerder is gehoord.

Op 3 juli 2000 heeft verweerder een beschikking op bezwaar genomen, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Hierbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet reeds per 15 september 1998 volledig arbeidsongeschikt was, maar per 29 maart 1999. Tevens heeft verweerder als subsidiaire afwijzingsgrond artikel 30, lid 1, sub b, WAO opgenomen, inhoudende dat de arbeidsongeschiktheid van eiser binnen 6 maanden na aanvang van de verzekering was ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van eiser dit redelijkerwijs moest doen verwachten.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de primaire grondslag waarop de weigering tot toekenning van een WAO-uitkering berust, onjuist is. Verweerder heeft derhalve aangegeven de motivering van het bestreden besluit te willen wijzigen. De primaire weigeringsgrond zou volgens verweerder moeten zijn dat eiser op het moment dat hij arbeidsongeschikt raakte niet verzekerd was ingevolge de WAO. De in het bestreden besluit aangevoerde primaire weigeringsgrond, te weten dat eiser op de datum van aanvang van de verzekering reeds volledig arbeidsongeschikt was, wenst verweerder thans als subsidiaire weigeringsgrond aangevoerd te zien. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de dienovereenkomstig luidende motivering van zijn beschikking op bezwaar d.d. 2 augustus 1999, inzake eisers recht op een Ziektewetuitkering. In laatstbedoeld besluit heeft verweerder overwogen dat in artikel 7, lid 1, van de CAO die van toepassing was op de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Randstad, is bepaald dat de uitzendovereenkomst wordt geacht te zijn aangegaan op het tijdstip waarop de uitzendkracht de overeengekomen uitzendarbeid daadwerkelijk aanvangt. Nu eiser de overeengekomen uitzendarbeid nimmer daadwerkelijk heeft aangevangen is derhalve ook geen verzekering krachtens de WAO tot stand gekomen, aldus verweerder."

De rechtbank heeft niet bewilligd in het door gedaagde gedane verzoek om de motivering van het bestreden besluit van 3 juli 2000 alsnog in de hiervoor aangegeven zin te mogen wijzigen. Vervolgens heeft de rechtbank, het bestreden besluit toetsende zoals het luidt en vaststellende dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant met Randstad Uitzendbureau B.V. was overeengekomen om per 29 maart 1999 uitzendarbeid te gaan verrichten en dat zulks niet is doorgegaan vanwege appellants ziekmelding, geoordeeld dat appellant op het moment waarop hij zich arbeidsongeschikt meldde niet als werknemer in de zin van artikel 3 van de WAO en, gelet op artikel 16 van de WAO, deswege niet als verzekerd ingevolge die wet kon worden aangemerkt. De rechtbank heeft in verband hiermee als haar oordeel uitgesproken dat gedaagde ten onrechte artikel 30, eerste lid, sub a en b, van de WAO aan zijn weigeringsbesluit ten grondslag heeft gelegd, aangezien zich geen moment van samenval van aanvang van de verzekering en het bestaan van (algehele) arbeidsongeschiktheid heeft voorgedaan. Gedaagde had mitsdien, aldus de rechtbank, zoals ook door hem ter zitting is aangegeven, dienen te besluiten dat appellant geen aanspraak kon doen gelden op een WAO-uitkering vanwege het feit dat hij op het moment dat hij arbeidsongeschikt raakte niet verzekerd was. Op grond hiervan is de rechtbank niet meer toegekomen aan de vraag of appellant op de datum van aanvang van de verzekering reeds geheel arbeidsongeschikt moest worden geacht, dan wel of zijn arbeidsongeschikt raken binnen zes maanden na aanvang van zijn verzekering redelijkerwijs moest worden verwacht.

Nu gedaagde het bestreden besluit heeft doen steunen op een onjuiste motivering, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Aangezien evenwel een door gedaagde te nemen nieuw besluit voor appellant materieel niet tot een andere uitkomst zou leiden, heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te bepalen dat de rechtsgevolgen van het - te vernietigen - bestreden besluit in stand zullen blijven.

Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant - dat de Raad opvat als uitsluitend betrekking hebbend op de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit - overweegt de Raad dat hij zich volledig kan vinden in het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank dat appellant ter zake van zijn melding van arbeidsongeschiktheid per 29 maart 1999 geen aanspraak kan doen gelden op een WAO-uitkering om reden dat hij op dat moment - en zulks wordt door appellant overigens ook niet betwist - in verband met het niet doorgaan van de voorgenomen uitzendarbeid niet verzekerd was ingevolge de WAO. De Raad maakt de desbetreffende overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank tot de zijne.

Voorts overweegt de Raad dat, voor het geval hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - mede, dan wel in het bijzonder - aldus moet worden begrepen dat hij uitkering wenst met betrekking tot een eerdere op 28 september 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid toen hij werkzaam was via het uitzendbureau Special Jobs Noord B.V. - ter zake van welke arbeidsongeschiktheid hij destijds ziekengeld heeft ontvangen tot aan de hersteldverklaring per 11 november 1998 - aan een beoordeling daarvan niet kan worden toegekomen nu het bestreden besluit en - in lijn daarmee - ook de aangevallen uitspraak daarop geen betrekking hebben en dat onderwerp aldus buiten de omvang van het onderhavige geding valt.

De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

MR