Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
02/2671 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herstel vormverzuim in bezwaar; beleid bestuursorgaan

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2671 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een op 12 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Zwolle (reg.nr. AWB 01/1258 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft zijn gemachtigde, mr. H.B.Ch. Stratman, advocaat te Lelystad, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.W.F. Mezenberg, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Stratman, voornoemd.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 2 augustus 2001 heeft appellant naar aanleiding van een namens gedaagde ingediend verzoek om schadevergoeding aan gedaagde meegedeeld dat overgegaan zal worden tot vergoeding van geleden renteschade, maar dat wordt geweigerd om daarnaast andere schadeposten te vergoeden.

Namens gedaagde heeft zijn gemachtigde bij brief van 7 september 2001 bezwaar gemaakt op nader aan te voeren gronden. Hierbij is verzocht om een termijn te verlenen voor het indienen van deze gronden. Bij brief van 14 september 2001 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat het ingediende bezwaarschrift geen gronden bevat en dat het gevolg kan zijn dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Appellant heeft in dit verband een termijn verleend van vier weken voor het alsnog indienen van de gronden, waarbij is vermeld dat geen verder uitstel zal worden verleend. Bij faxbericht van 12 oktober 2001 heeft de gemachtigde van gedaagde aan appellant meegedeeld dat het niet mogelijk is om binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaar in te dienen en heeft hij verzocht om hiervoor nog een uitstel van twee weken te verlenen. Hierop heeft appellant aan gedaagde bij brief van 15 oktober 2001 meegedeeld dat, zoals was vermeld in de brief van

14 september 2001, voor het indienen van de gronden geen nader uitstel kan worden verleend. In dit kader heeft appellant verwezen naar het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2001.

Bij besluit van 31 oktober 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van gedaagde met toepassing van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het ingediende bezwaarschrift geen gronden bevat en dit verzuim niet binnen de gestelde termijn van vier weken is hersteld.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de gemachtigde van gedaagde binnen de door appellant gestelde termijn van vier weken om de gronden aan te vullen, het verzoek heeft gedaan om hiervoor een nadere termijn te stellen.

Volgens de rechtbank heeft appellant in dit geval daarom een onjuiste toepassing gegeven aan de hem op grond van artikel 6:6 van de Awb toekomende bevoegdheid het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant zal naar het oordeel van de rechtbank alsnog over moeten gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het namens gedaagde gemaakte bezwaar aan de hand van de gronden die zijn vermeld in het bij de rechtbank ingediende beroepschrift.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat aan gedaagde bij brief van 14 september 2001 was meegedeeld dat geen nader uitstel zou worden verleend voor het indienen van de gronden en wat de gevolgen zouden zijn van het niet tijdig herstellen van het desbetreffende verzuim. Voorts heeft appellant erop gewezen dat het op 12 oktober 2001 namens gedaagde verzonden faxbericht slechts een ongemotiveerd verzoek om nader uitstel behelst en dat het geen gronden bevat. Volgens appellant volgt op grond van vast beleid bij het niet tijdig herstellen van een verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn zoals bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, in beginsel niet-ontvankelijkverklaring. Hiervan wordt door appellant slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken, namelijk indien er sprake is van overmacht dan wel indien er anderszins sprake is van een bijzondere situatie, bijvoorbeeld wanneer het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zelf geen gronden bevat. Appellant is van oordeel dat hier geen sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval.

Gedaagde heeft het standpunt ingenomen dat er wel sprake is van omstandigheden op grond waarvan niet- ontvankelijkverklaring achterwege had moeten worden gelaten. Evenals in eerste aanleg heeft de gemachtigde van gedaagde aangevoerd dat er vertraging bij het indienen van de gronden is ontstaan doordat hij op vakantie was gegaan en gedaagde op 12 oktober 2001 nog niet had gereageerd op het hem toegezonden concept van het aanvullend bezwaarschrift, waarbij is opgemerkt dat de waarnemend gemachtigde tevergeefs heeft geprobeerd om gedaagde te bereiken. In het in eerste aanleg ingediende beroepschrift d.d. 15 november 2001 is in dit kader vermeld dat de gemachtigde van gedaagde op 7 oktober 2001 het desbetreffende concept heeft toegezonden en vervolgens op 8 oktober 2001 op vakantie is gegaan. Namens gedaagde is bij faxbericht van 12 oktober 2001 verzocht om voor het indienen van de gronden een nadere termijn van twee weken te stellen.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van artikel 6:6 van de Awb is appellant bevoegd om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als niet is voldaan aan - onder meer - het vereiste dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen.

Met betrekking tot de hantering van die bevoegdheid heeft appellant in het - ten tijde hier van belang van toepassing zijnde - Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2001 het volgende vastgelegd:

"Artikel 5 vormverzuimen

1. Als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de wet of aan enig ander wettelijk vereiste, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

2. Bij overschrijding van deze termijn, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard."

Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken is hij van oordeel dat appellant met deze invulling van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb niet buiten de grenzen van dit artikel is getreden.

Voorts is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat appellant niet in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. In dit verband overweegt de Raad dat appellant gedaagde er bij de bovengenoemde brief van 14 september 2001, waarbij een termijn van vier weken is gesteld voor het indienen van de gronden, op heeft gewezen dat geen nader uitstel zou worden verleend. De (waarnemend) gemachtigde van gedaagde heeft vervolgens eerst op 12 oktober 2001, derhalve de laatste dag van de desbetreffende termijn, een verzoek om uitstel ingediend, zonder dat hierbij een reden is vermeld op grond waarvan tijdige indiening van de gronden niet mogelijk was. De door gedaagde nadien in eerste aanleg en hoger beroep naar voren gebrachte omstandig- heden hebben de Raad niet tot de conclusie kunnen leiden dat het voor gedaagde niet mogelijk is geweest om binnen de gestelde termijn bezwaargronden in te dienen. Gelet op een en ander kon appellant naar het oordeel van de Raad het bezwaar van gedaagde met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het inleidend beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.