Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
03/941 WTS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing hardheidsclausule. Is het redelijk om het recht op WTOS afhankelijk te stellen van het gezamenlijk inkomen van betrokkene en haar echtgenoot terwijl zij niet de gezamenlijke voogdij over het betreffende kind hebben en op hun jegens hem geen onderhoudsverplichting rust?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 1
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/941 WTS

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van 15 januari 2003, nr. 02/278 WTSBTS RV, heeft de rechtbank Maastricht uitspraak gedaan inzake de gehandhaafde weigering van gedaagde om appellante op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) voor het schooljaar 2001-2002 een tegemoetkoming in de zin van hoofdstuk 3 van die wet toe te kennen ten behoeve van [appellant].

Tegen deze uitspraak heeft mr. J.H.J. Köhlen, advocaat te Maastricht, namens appellante op bij aanvullend beroepschrift van 7 april 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 maart 2004. Aldaar is appellante verschenen bij mr. A.S. van Gans, kantoorgenoot van mr. Köhlen, voornoemd. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Door middel van indiening van een op 29 juni 2001 gedagtekend formulier heeft appellante voor het schooljaar 2001-2002 een tegemoetkoming in de schoolkosten bij gedaagde aangevraagd ten behoeve van [naam kind], geboren op 5 januari 1989, over wie zij na het overlijden van diens moeder op 20 september 1995 de voogdij heeft gekregen en die geen deel van haar gezin uitmaakt maar in Kerkrade in een pleeggezin is opgenomen. Appellante heeft gedaagde daarbij verzocht om voor de bepaling van het toetsingsinkomen de wezenuitkering die in het peiljaar 1999 op grond van de Algemene nabestaandenwet ten behoeve van [naam kind] werd uitbetaald in aanmerking te nemen en haar inkomen en dat van haar echtgenoot buiten beschouwing te laten.

Op voornoemde aanvraag heeft gedaagde bij besluit van 16 oktober 2001 afwijzend beslist op de grond dat appellante de wettelijk vertegenwoordiger is van [naam kind], zodat ingevolge artikel 2.24 van de WTOS haar inkomen en dat van haar echtgenoot bepalend is voor het recht op een tegemoetkoming ten behoeve van [naam kind].

Het bezwaar dat appellante hiertegen heeft ingediend is bij besluit van 5 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) door gedaagde ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het onredelijk is om het recht op een tegemoetkoming ten behoeve van [naam kind] afhankelijk te stellen van haar inkomen en dat van haar echtgenoot, aangezien haar echtgenoot en zij niet de gezamenlijke voogdij over [naam kind] hebben en noch op appellante noch op haar echtgenoot jegens [naam kind] een onderhoudsverplichting rust.

Bij uitspraak van 15 januari 2003 is het beroep van appellante voor zover het zich richt tegen het bestreden besluit door de rechtbank Maastricht gegrond verklaard. Het bestreden besluit is daarbij wegens strijd met de wet vernietigd met de bepaling dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de overweging dat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich ertegen verzet dat een bestuursorgaan een tweede beslissing op bezwaar neemt indien bezwaar is gemaakt tegen een beslissing die op bezwaar genomen is. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat gedaagde al bij besluit van 1 augustus 2001 heeft beslist op de aanvraag van appellante van 29 juni 2001 en dat dit besluit na bezwaar bij besluit van 16 oktober 2001 is gehandhaafd.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank niet en overweegt daartoe dat door gedaagde bij bedoeld besluit van 1 augustus 2001 uitsluitend is beslist op een aanvraag van 10 juli 2001, waarbij appellante ten behoeve van een van haar drie eigen kinderen een tegemoetkoming in de zin van hoofdstuk 3 van de WTOS heeft aangevraagd. In dat besluit is [naam kind] slechts als zogenoemd telkind vermeld. Door gedaagde is eerst bij besluit van 16 oktober 2001 beslist op de aanvraag die appellante ten behoeve van [naam kind] heeft ingediend.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak berust op een onjuiste grondslag, hetgeen betekent dat de Raad deze uitspraak moet vernietigen.

Vervolgens ligt in het onderhavige geding opnieuw de vraag ter beantwoording voor of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de WTOS kan uitsluitend een aanvraag van een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van die wet worden gedaan door een:

1. natuurlijk persoon die de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige leerling,

2. minderjarige leerling zonder wettelijk vertegenwoordiger, of

3. gehuwde leerling die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

Vast staat dat ten tijde van belang appellante de enige wettelijk vertegenwoordiger was van [naam kind] en dat [naam kind] niet gehuwd was. Derhalve is de regeling als neergelegd in artikel 1.1, tweede lid, van de WTOS in het onderhavige geval niet van belang en is appellante de enige die ingevolge artikel 1.3 van de WTOS ten behoeve van [naam kind] voor het schooljaar 2001-2002 een aanvraag van een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van die wet heeft kunnen doen.

Artikel 2.23, eerste lid, van de WTOS stelt de tegemoetkoming afhankelijk van de hoogte van het toetsingsinkomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel bestaat voor het schooljaar 2001-2002 geen recht op een volledige tegemoetkoming bij een toetsings-inkomen van meer dan € 24.950,-.

Voor de toepassing van hoofdstuk 3 van de WTOS is op grond van artikel 2.24 in samenhang met artikel 12.5, aanhef en onder a en e, van die wet het toetsingsinkomen de som van de belastbare inkomens (dan wel het zuivere loon) in het peiljaar van de aanvrager en diens partner.

Uit de stukken leidt de Raad af dat appellante en haar echtgenoot in het peiljaar 1999 een inkomen hadden van respectievelijk € 23.544,84 (f 51.886,-) en € 14.292,26 (f 31.496,-). Dit betekent dat het standpunt van gedaagde dat voor het schooljaar 2001-2002 geen aanspraak bestaat op een volledige tegemoetkoming ten behoeve van [naam kind] in overeenstemming is met de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen.

Appellante moet echter met hetgeen zij reeds bij haar aanvraag heeft aangevoerd geacht worden te hebben verzocht om met toepassing van artikel 11.4 van de WTOS af te wijken van genoemde wettelijke bepalingen.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In artikel 11.4 van de WTOS is aan de Informatie Beheer Groep de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze zogenoemde hardheidsclausule biedt niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de WTOS opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van deze wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde artikel 1.3 van de WTOS in het onder-havige geval toegepast in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Daartoe overweegt de Raad dat het, gelet op de gewenste eenvoudige uitvoerbaarheid van de regeling en de gewenste inzichtelijkheid voor de burger, de kennelijke en gerechtvaardigde bedoeling van de wetgever is dat indien een minderjarige een natuurlijk persoon als wettelijk vertegenwoordiger heeft, uitsluitend deze wettelijk vertegenwoordiger ten behoeve de minderjarige een aanvraag van een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de WTOS kan doen.

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WTOS niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is dat het inkomen van een niet-onderhoudsplichtige wettelijk vertegenwoordiger en dat van diens (eventuele) partner maatgevend is voor het recht op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van die wet, indien en voor zover juist dit ertoe leidt dat geen aanspraak op een (volledige) tegemoetkoming bestaat; gelet op de primaire strekking van de WTOS, het waarborgen van de toegankelijkheid van het onderwijs door de mogelijkheid te bieden om bij een beperkte financiële draagkracht een tegemoetkoming in de onderwijs-bijdrage en in de schoolkosten aan te vragen, neemt de Raad aan dat dit effect, dat kan optreden bij een onverkorte toepassing van artikel 2.24 van de WTOS, door de wetgever niet is voorzien en niet zou zijn gewenst. Indien het optreedt zal daarom in beginsel toepassing moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule.

Gedaagde heeft, noch in het besluit van 16 oktober 2001, noch in het bestreden besluit enige overweging gewijd aan de hantering van de bij artikel 11.4 van de WTOS gegeven bevoegdheid. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. Gedaagde zal ter zake alsnog een inhoudelijk onderbouwd standpunt in dienen te nemen, waaruit van een afweging blijkt tussen enerzijds doel en strekking van de toepasselijke wettelijke bepalingen en anderzijds de gevolgen die toepassing daarvan in het onderhavige geval heeft.

Gelet op het voorgaande moet het inleidend beroep van appellante gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Gedaagde dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van appellante.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor in beroep en hoger beroep verleende rechtsbijstand. Het verzoek van appellante om gedaagde te veroordelen in de kosten van in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand komt niet voor inwilliging in aanmerking. Daartoe overweegt de Raad dat het bestreden besluit is genomen vòòr het inwerkingtreden van de wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (Stb. 2002, 55), zodat in casu de oude tekst van artikel 8:75 van de Awb van toepassing is gebleven, benevens de onder de werking van artikel 8:75 (oud) gevormde jurisprudentie, inhoudende dat kosten van rechtsbijstand in de bezwaar-procedure slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien door het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit genomen is. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat gedaagde het door appellante in beroep betaalde griffierecht dient te vergoeden;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

MH