Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
10-05-2004
Zaaknummer
03/1531 AW + 03/5535 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing functie en toekenning van de zogeheten RAP-status.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1531 AW en 03/5535 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, nr. AWB 01/4354 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Een verzoek van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter van de Raad afgewezen bij uitspraak van 2 juni 2003, nr. 03/2175 AW-VV.

Op 29 juli 2003 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 maart 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.J. Molenaar en G. Wind, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.N. Grootfaam, advocaat te 's-Gravenhage.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde was bij de gemeente Amsterdam werkzaam als beheerder van het Fonds Elektronische Gemeenschapsdiensten (FEGD). Deze werkzaamheden zijn per 1 januari 1998 ondergebracht bij het nieuw opgerichte Bureau Informatiemanagement Amsterdam (BIA) van de Dienst der Gemeentebelastingen Amsterdam (GBA). Bij besluit van 30 juni 1999 heeft appellant gedaagde met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 bevorderd naar schaal 11 en haar tewerkgesteld bij het BIA in de betrekking van adviseur publieksinfo & telematicastimulering. Op 23 november 1999 heeft appellant ingestemd met de notitie "Koers ICT-stimuleringsfondsen en -budgetten", hetgeen de beëindiging van de subsidieverlening vanuit het FEGD betekende.

1.2. Bij besluit van 13 februari 2001 heeft appellant de functie FEGH (lees: FEGD) per 1 maart 2001 opgeheven. Bij besluit van 12 maart 2001 heeft appellant gedaagde van deze opheffing in kennis gesteld en haar de zogeheten RAP-status toegekend. Bij besluit van 16 november 2001 heeft appellant de hiertegen ingediende bezwaren van gedaagde ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2001 vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt en het verzoek van gedaagde om schadevergoeding afgewezen. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

1.4. Na afwijzing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft gedaagde bij het in rubriek I gemelde besluit van 29 juli 2003 het bezwaar gegrond verklaard en de besluiten tot opheffing van de functie en toekenning van de RAP-status herroepen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 1122, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), voorzover hier van belang, kan appellant een ambtenaar ontslaan indien zijn betrekking is opgeheven. Op grond van de Nota Reorganisatie- en mobiliteitsregels concern Amsterdam verleent appellant in geval van reorganisatie, afkeuring of posterioriteit aan de betrokkene de zogeheten RAP-status, met het oog op herplaatsing in een andere functie.

2.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de betrekking van gedaagde is opgeheven. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

2.2.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in het geval van gedaagde onder "betrekking" is te verstaan het feitelijk opgedragen samenstel van werkzaamheden verbonden aan het beheer van het FEGD. Met de opheffing van het FEGD is dit samenstel van werkzaamheden uit de gemeentelijke organisatie verdwenen. Dit betekent opheffing van de functie FEGD, aldus appellant.

2.2.2. De Raad kan appellant in deze redenering niet volgen. De werkzaamheden die feitelijk waren opgedragen, kunnen in dit geval niet los worden gezien van de wijze waarop appellant in organisatorisch opzicht aan de functies bij het BIA vorm en inhoud heeft gegeven. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is bij het instellen van het BIA de bewuste keuze gemaakt om niet iedere functie afzonderlijk te beschrijven, doch te volstaan met een beperkt aantal standaardfuncties ("typeringen"), waarvan slechts de algemene karakteristieken zijn omschreven en die per functionaris met een concreet takenpakket ("specialisme") worden ingevuld. Zo was de functie van gedaagde blijkens het plaatsingsbesluit van 30 juni 1999 die van adviseur/projectleider en was zij speciaal belast met het beheer van het FEGD. Blijkens het overgelegde MRF-functieformulier beschikken alle adviseurs/projectleiders over een basisaanstelling en blijven zij aldus flexibel inzetbaar binnen het BIA; de adviseur/projectleider is volgens de functietypering voor alles een generalist. Ter zitting is gebleken dat binnen de groep van de adviseurs/projectleiders aan projecten werd gewerkt en met een zekere regelmaat wisselingen van takenpakket plaats had, zonder dat dit van invloed is op de omvang van de personeelsformatie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, in het licht van dit door appellant gehanteerde systeem, de enkele omstandigheid dat de werkzaamheden inzake het beheer van het FEGD zijn weggevallen niet met zich brengt dat van opheffing van de functie van gedaagde kan worden gesproken. Die functie kan niet, zoals appellant heeft gedaan, worden aangeduid als "de functie FEGD".

2.2.3. Appellant heeft nog aangevoerd dat het achteraf bezien beter zou zijn geweest om voor gedaagde een specifieke functie te beschrijven. Daartoe heeft appellant betoogd dat gedaagde geen inhoudelijke deskundigheid op het gebied van de telematica bezit en om die reden niet, zoals de andere adviseurs/projectleiders, binnen het BIA flexibel inzetbaar is. De Raad laat de juistheid van deze - door gedaagde met kracht van argumenten bestreden - stelling uitdrukkelijk in het midden. Het besluit van 30 juni 1999, waarbij appellant gedaagde in de functie van adviseur/projectleider heeft geplaatst, moet in de onderhavige procedure als een gegeven worden beschouwd.

2.2.4. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt in aanmerking om te worden bevestigd.

3. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 29 juli 2003 heeft appellant zijn door gedaagde bestreden besluitvorming ongedaan gemaakt. Weliswaar is gedaagde bij die beslissing niet in haar oude functie hersteld, doch zij heeft ter zitting verklaard op een functie binnen het BIA geen prijs meer te stellen. Gedaagde wil elders binnen de gemeentelijke organisatie worden herplaatst, waartoe partijen inmiddels in overleg zijn getreden. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellant met het nieuwe besluit geheel aan de bezwaren van gedaagde is tegemoet gekomen. Dit betekent dat er geen aanleiding is om dit besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de behandeling van het hoger beroep te betrekken.

4. Gedaagde heeft in hoger beroep om schadevergoeding verzocht. Voor een inhoudelijke beoordeling van dat verzoek is in deze procedure geen plaats, nu gedaagde reeds in beroep bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding had ingediend, dat door de rechtbank is afgewezen. Tegen die afwijzing is door gedaagde geen hoger beroep ingesteld en zij valt derhalve buiten de omvang van het geding.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,-- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 14,20 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 658,20.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 658,20, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) L.N. Nijhuis.

HD

06.04

Q