Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO9046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
02/128 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor advocaatkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 217

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/128 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 7 november 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. NABW 01/705-BOS, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de Raad desgevraagd nadere stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant heeft op 5 januari 2000 om bijzondere bijstand verzocht in de kosten van een advocaat tot een bedrag van f 1.110,37. Gedaagde heeft bij besluit van 28 augustus 2000 deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 39, eerste lid (oud), van de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen op de grond dat er sprake dient te zijn van een toevoeging door de Raad van Rechtbijstand. Het tegen het besluit van 28 augustus 2000 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 20 februari 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 20 februari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Gedaagde hanteerde ten tijde hier in geding ten aanzien van kosten van rechtsbijstand het beleid dat voor de eigen bijdrage en de bijkomende kosten enkel bijzondere bijstand kan worden verstrekt indien er sprake is van een toevoeging door de Raad van Rechtsbijstand. Zonder toevoeging is bijzondere bijstand niet mogelijk.

Zoals de Raad reeds eerder, onder meer in zijn uitspraak van 23 november 1999, gepubliceerd in JABW 2000/37 en USZ 2000/6, heeft overwogen, kan de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand en het maken van kosten van griffierecht in beginsel worden aangenomen indien op grond van de Wet op de rechtsbijstand krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Daarvan is hier geen sprake.

In zijn uitspraak van 30 mei 2000, gepubliceerd in USZ 2000/194, heeft de Raad voorts overwogen dat, in een concreet geval waarbij van een toevoeging geen sprake is, het bijstandsverlenend orgaan zich aan de hand van de zich in zulk een geval voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel dient te vormen met betrekking tot de noodzaak van de gevoerde procedure(s). De Raad stelt vast dat gedaagde dit, ten onrechte, heeft nagelaten.

Het besluit van 20 februari 2001 komt derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak eveneens dient te worden vernietigd.

De Raad acht gronden aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hij overweegt daartoe het volgende.

Bij de beoordeling van de noodzaak van de gevoerde procedure moet van de betrokkene tenminste worden verlangd dat hij aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat hij terzake van door hem gevoerde procedures noodzakelijke kosten heeft gemaakt.

Blijkens de gedingstukken heeft appellant een advocaat ingeschakeld teneinde te bewerkstelligen dat het politiebureau Rotterdam-Rijnmond, na dit eerst geweigerd te hebben, over zou gaan tot het opmaken van een aangifte van appellant tegen een aantal politieambtenaren in verband met een in 1989 voorgevallen incident. Appellant had deze aangifte nodig om, indien beslist zou worden tot niet (verdere) vervolging, daarover op grond van artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bij het gerechtshof schriftelijk beklag te kunnen doen.

De Raad is uit de stukken gebleken dat appellant twee keer eerder, zij het zonder succes, de procedure van artikel 12, eerste lid, van het Sv heeft doorlopen. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de door appellant ten behoeve van de onderhavige aangifte gemaakte advocaatkosten niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw zijn aan te merken zodat voor verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten geen plaats is.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 februari 2001;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) M.C.M. Hamer.

JK/744