Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
02/1991 AW en 02/1992 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek terug te komen van de weigering betrokkenen te benoemen in groepsfunctie F. Betrokkenen stellen dat zij 50% van hun werktijd werkzaamheden hebben verricht op F 2/3-niveau, zodat zij aan het 50%-criterium voldoen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1991 AW en 02/1992 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats 1],

[appellant 2], wonende te [woonplaats 2 ], appellanten,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 februari 2002, nr. AW 00/773 en AW 00/774, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van gedaagde zijn nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn, gevoegd met zaak 02/1894 AW, behandeld ter zitting van 12 februari 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de onderhavige zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

1. Appellanten waren tot oktober 1995 werkzaam als medewerker groepsfunctie E bij de douaneposten Uiverweg respectievelijk Schiphol Vrachtstation van het district Hoofddorp. Tot hun taken behoorden onder meer het incidenteel behandelen van bezwaarschriften. Als gevolg van een door de Divisieraad douane genomen besluit om de werkzaamheden betreffende beroep en bezwaar onder te brengen in een nieuw te vormen Team Bezwaar op het niveau van het douanedistrict, zijn appellanten per 2 oktober 1995 als medewerker groepsfunctie E geplaatst in het Team Bezwaar van het douanedistrict Hoofddorp. Appellanten zijn zich daar uitsluitend gaan bezighouden met het behandelen van bezwaarschriften. Op 7 oktober 1998 hebben appellanten een verzoek tot benoeming in de groepsfunctie F ingediend. Bij besluiten van 27 oktober 1999 heeft gedaagde hierop afwijzend beslist. Deze besluiten zijn na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 31 maart 2000.

2. De rechtbank heeft de tegen de besluiten van 31 maart 2000 ingestelde beroepen bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) wordt de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met inachtneming van de zwaarte van de functie en van bijzondere regelingen als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Ingevolge laatstgenoemd artikel zijn voor de in geding zijnde groepsfuncties salarislijnen vastgesteld, welke hun basis vinden in de typeringen van de desbetreffende groepsfuncties. De in geding zijnde groepsfuncties E en F zijn onderverdeeld in drie fasen, waarbij de werkzaamheden naarmate deze zwaarder worden in een hogere fase worden ingedeeld.

3.2. Ingevolge artikel 2.1.2. van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) bestaat aanspraak op bezoldiging volgens de aan een hogere groepsfunctie verbonden salarisschaal (salarislijn), als aan de betrokken ambtenaar structureel werkzaamheden van een hogere groepsfunctie zijn opgedragen. Daarvan is sprake als, voorzover hier van belang, met het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot de fasen 2 en 3 van de hogere groepsfunctie ten minste 50% van de werktijd van de ambtenaar is gemoeid.

3.3. Appellanten handhaven in hoger beroep niet langer het standpunt dat het afhandelen van bezwaarschriften, ongeacht de zwaarte ervan, tot de werkzaamheden op F-niveau behoort.

Wel stellen appellanten zich op het standpunt dat zij vanaf oktober 1995 gedurende meer dan 50% van hun werktijd werkzaamheden hebben verricht op F 2/3-niveau, zodat zij aan het hiervoor genoemde 50%-criterium voldoen. Zij wensen om die reden alsnog per 2 oktober 1995 te worden benoemd in groepsfunctie F.

3.4. De Raad constateert dat appellanten toen zij naar hun zeggen de werkzaamheden op F-niveau zijn gaan verrichten er geen beroep op hebben gedaan dat zij in groepsfunctie F zouden moeten worden ingedeeld. Pas bij het inleidend verzoek van 7 oktober 1998 hebben zij een verzoek tot benoeming met terugwerkende kracht gedaan tot de dag waarop zij die werkzaamheden zouden zijn gaan verrichten. Onder deze omstandigheden komt de Raad tot de conclusie dat appellanten in de indeling in groepsfunctie E hebben berust. Het verzoek van 7 oktober 1998 dient daarom - wat betreft de daaraan voorafgaande periode - op één lijn te worden gesteld met een verzoek om terug te komen van het besluit appellanten als medewerker groepsfunctie E te plaatsen in het Team Bezwaar van het douanedistrict Hoofddorp.

3.4.1. Gedaagde heeft naar aanleiding van dit verzoek de plaatsing van appellanten in groepsfunctie E inhoudelijk beoordeeld hetgeen niet tot plaatsing in groepsfunctie F heeft geleid. Met betrekking tot de weigering terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit overweegt de Raad dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan een terzake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.4.2. Door appellanten zijn ter ondersteuning van hun verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden aangevoerd. Hiervan uitgaande kan niet worden gezegd dat gedaagde voor de periode tot oktober 1998 niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

3.5. Wat betreft de periode na het verzoek van 7 oktober 1998, beantwoordt de Raad de vraag of gedaagdes weigering in rechte stand houdt ontkennend.

3.5.1. Gedaagde heeft de verzoeken van appellanten afgewezen omdat op basis van een door de formatiedeskundige V. verricht onderzoek is geconcludeerd dat appellanten in onvoldoende mate, namelijk voor minder dan 50%, werkzaamheden van het F 2/3-niveau hebben verricht. Daarbij is de formatiedeskundige uitgegaan van de in de jaren 1996-1998 door de medewerkers groepsfunctie E van het douanedistrict afgedane bezwaarschriften. Deze bezwaarschriften zijn onderverdeeld in een aantal, door het district gehanteerde, categorieën en van elke categorie is vervolgens het niveau van de daaraan verbonden werkzaamheden vastgesteld (niveau groepsfunctie C, E dan wel F). Vervolgens heeft die deskundige voor appellanten afzonderlijk de gemiddelde afhandelingsduur per bezwaarschrift vastgesteld aan de hand van het aantal effectieve werkdagen van appellanten in de periode 1996-1998 en dit vermenigvuldigd met het aantal afgedane bezwaarschriften op F 2/3-niveau. De uitkomst hiervan was dat appellanten minder dan 50% van hun werktijd hadden besteed aan werkzaamheden op F 2/3-niveau.

3.5.2. Appellanten hebben deze berekeningswijze bestreden en aangevoerd dat gedaagde ten onrechte van aantallen per categorie afgehandelde bezwaarschriften is uitgegaan, omdat er van kan worden uitgegaan dat bezwaarschriften op F-niveau gemiddeld een langere afhandelingsduur zullen kennen dan bezwaarschriften van een lagere moeilijkheidsgraad. Appellanten beroepen zich daarbij onder meer op de door hen ingeleverde formulieren tijdwerkregistratie (TWR), waaruit zou blijken dat zij wel meer dan 50% van hun werktijd aan werkzaamheden op F 2/3-niveau hebben besteed.

3.5.3. Gedaagde stelt hier tegenover dat de door appellanten zelf ingevulde TWR-staten onvoldoende objectief moeten worden geacht en voorts dat er grenzen zijn te stellen aan de gemiddelde behandelingsduur. Het is niet onlogisch of onredelijk te stellen dat degene die naar een hoger bezoldigingsniveau wil worden bevorderd, over door een bezwaarde aan de orde gestelde posten op dat niveau niet langer behoort te doen dan een gemiddelde functionaris op dat hogere niveau. Om die reden acht gedaagde de toegepaste onderzoeksmethode te verkiezen boven een vergelijking op basis van de bestede tijd per onderscheiden niveau.

3.5.4. Dienaangaande merkt de Raad op dat er, zoals ook door gedaagdes gemachtigde is erkend, geen tijdsnormering geldt voor de afhandeling van bezwaarschriften op de verschillende niveaus. Wel is ter zitting door die gemachtigde erkend dat bezwaarschriften op F-niveau gemiddeld een langere behandelingsduur kennen dan bezwaarschriften op lagere niveaus. Met die langere behandelingsduur is echter door de formatiedeskundige in zijn rapport van 5 augustus 1999 geen rekening gehouden, omdat daarin is uitgegaan van aantallen per categorie afgehandelde bezwaarschriften, ongeacht verschillen in behandeltijd. Die berekeningswijze verdraagt zich niet met het onder 3.2 omschreven 50%-criterium, dat immers op de werktijd betrekking heeft.

3.6. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, niet berust op een deugdelijke feitelijke grondslag.

4. Het hiervoor overwogene brengt de Raad tot de slotsom dat de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd. Gedaagde zal opnieuw op de bezwaren van appellanten dienen te beslissen, met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.

5. De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van€ 644,- in verband met kosten van rechtsbijstand in twee samenhangende zaken. Van overige op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten het door hen in beroep (f 60,-) en in hoger beroep (€ 165,-) betaalde griffierecht, totaal € 192,23, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.D. Veldman.

HD

15.04