Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
04/1146 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond uit opzettelijke en wederrechtelijke toeeigening van een deel van het aan gedaagde ter beschikking gestelde kledingbudget voor privé-doeleinden en poging tot oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1146 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

Inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 december 2003, nr. 02/122 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Hierbij heeft verzoeker tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

Namens gedaagde zijn nog nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 maart 2004, waar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de politieregio. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.F.J. Martens, advocaat te Rosmalen.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde, sedert 1 augustus 1994 in politiedienst, was laatstelijk als medewerker Basispolitiefunctie B met de rang van hoofdagent, in de functie van diensthondengeleider werkzaam bij het team Etten-Leur van de politieregio Midden en West Brabant.

1.2. Begin augustus 2000 is geconstateerd dat gedaagde ten laste van het hem ten behoeve van de dienst verstrekte kledingbudget voor zijn vriendin een badpak ten bedrage van f 33,62 had besteld. Na verder onderzoek is gebleken dat gedaagde ook een paar damesschoenen ten bedrage van f 86,98 voor zijn vriendin had besteld.

Medio augustus 2000 heeft gedaagde aan zijn operationeel chef toestemming verzocht voor de aanschaf van een paar op maat gemaakte politielaarzen ten behoeve van zijn werkzaamheden als diensthondengeleider. Gedaagde heeft toestemming verkregen om die laarzen ten laste van het algemene teambudget aan te schaffen. Enkele dagen later hebben gedaagde en zijn vriendin een bezoek gebracht aan P. van Iersel VOF te Raamsdonksveer (hierna: Van Iersel). Aldaar heeft gedaagde aan Van Iersel verzocht zijn eigen politielaarzen te voorzien van nieuwe zolen en hakken en bij zijn vriendin een paar politielaarzen aan te meten. De gespecificeerde rekening kon met vermelding van de naam van gedaagde naar het politieteam Etten-Leur worden gestuurd.

1.3. Na ontvangst van de rekening met daarop twee kostenposten heeft S, medewerkster van de financiële administratie van het team Etten-Leur, die alleen wist van de verleende toestemming voor aanschaf van nieuwe laarzen, naar Van Iersel gebeld. Deze deelde haar mee dat de reparatie betrekking had op de laarzen van gedaagde en dat hij nieuwe laarzen had aangemeten voor de vrouw die gedaagde vergezelde.

1.3. Na nader onderzoek, zowel strafrechtelijk als disciplinair, is gedaagde geschorst. Het strafrechtelijk onderzoek heeft ertoe geleid dat de Officier van Justitie gedaagde ter voorkoming van strafvervolging een transactie ten bedrage van f 500,- heeft aangeboden voor het strafbare feit van poging tot oplichting, een en ander in verband met de aanschaf van de laarzen. Aan de aanschaf van de damesschoenen en de badkleding zijn geen strafrechtelijke consequenties verbonden. Gedaagde heeft dit transactieaanbod aanvaard.

1.4. Bij besluit van 4 mei 2001 heeft verzoeker gedaagde met onmiddellijke ingang wegens zeer ernstig plichtsverzuim ontslagen. Dit plichtsverzuim bestond uit opzettelijke en wederrechtelijke toe-eigening van een deel van het aan gedaagde ter beschikking gestelde kledingbudget voor privé-doeleinden en poging tot oplichting. Blijkens het besluit heeft gedaagde op ernstige wijze het door verzoeker in hem gestelde vertrouwen beschaamd en is ernstige twijfel gerezen aan zijn integriteit als politiefunctionaris. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 21 januari 2002 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 december 2002 - voorzover in casu van belang - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank was van oordeel dat verzoeker op goede gronden heeft geconcludeerd dat gedaagde met betrekking tot het badpak en de damesschoenen zich had schuldig gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Met betrekking tot de politielaarzen heeft gedaagde weliswaar de indruk doen ontstaan dat hij de kosten van de laarzen voor rekening van verzoeker wilde laten komen, maar de rechtbank heeft niet voldoende aannemelijk geacht dat gedaagde de intentie had zichzelf opzettelijk en doelbewust te bevoordelen, omdat niet uitgesloten kan worden dat gedaagde steeds voornemens is geweest de kosten van de laarzen aan verzoeker terug te betalen.

3. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 25 februari 2004, onder verwijzing naar de gronden van het aanvullend beroepschrift van 23 februari 2004 aangevoerd dat uitvoering van de uitspraak impliceert dat verzoeker gehouden is gedaagde weer in dienst te nemen. Gezien echter de aard en de ernst van het plichtsverzuim is het vertrouwen van verzoeker in gedaagde volledig komen te ontvallen en acht verzoeker het, gezien het gebrek aan vertrouwen in gedaagdes integriteit, niet mogelijk om gedaagde te herplaatsen. Aangezien er volgens verzoeker een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden uitspraak in de bodemprocedure niet in stand kan blijven, is verzoeker van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat de werking van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort totdat de Raad in de bodemprocedure heeft beslist.

3.1. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verzoeker nog toegevoegd dat het onoverkomelijk is een medewerker terug in dienst te nemen die tweemaal verduistering heeft gepleegd en die getracht heeft zijn werkgever op te lichten, nu het juist tot de taakstelling van de politie behoort misdrijven als verduistering en oplichting op te sporen. Volgens verzoeker blijkt uit de feiten niet dat gedaagde voornemens is geweest de laarzen zelf te betalen. Met gedaagde was afgesproken dat hij de rekening naar het team mocht laten sturen en hij kon er dan ook van uitgaan dat die rekening direct zou worden betaald. Nu gedaagde op eigen initiatief is afgeweken van de met de teamadministratie gemaakte afspraken, was het zijn verantwoordelijkheid om ter voorkoming van ieder misverstand de teamadministratie tijdig in kennis te stellen van het feit dat de rekening voor het overgrote deel betrekking had op privé-uitgaven. Verzoeker heeft tevens van belang geacht dat Van Iersel heeft verklaard dat gedaagde meteen had gevraagd om nieuwe zolen en hakken voor het oude paar laarzen dat hij bij zich had en dat er niet is gesproken over het aanmeten van nieuwe laarzen voor hemzelf. Alleen voor de vrouw die bij hem was moesten nieuwe laarzen aangemeten worden. Omdat die vrouw nog geen kleedgeld had moest alles op één rekening op de naam van het team Etten-Leur gezet worden. Ook acht verzoeker van belang dat gedaagde in het geheel niet heeft gevraagd naar de prijs van de laarzen. Volgens verzoeker heeft gedaagde voorts voldoende tijd gehad om vooraf persoonlijk dan wel telefonisch of door achterlating van een bericht opheldering te geven, zeker nu hij op 8 september 2000 op de teamadministratie is geweest en daar heeft gesproken met een collega van S.

3.2. Namens gedaagde is naar voren gebracht dat de rechtbank uiterst gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat de zwaarste straf onevenredig was aan de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Een hervatting van het dienstverband zou goed uitkomen omdat het tijdelijk dienstverband van gedaagde eind april 2004 afloopt en waarschijnlijk niet zal worden verlengd.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij kan mede de vraag in beeld komen of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, met dien verstande dat voorzover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

4.2. Gelet op het feit dat uitvoering van de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met gedaagde moet worden hersteld ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, een voldoende spoedeisend belang gelegen.

4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedaagde niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de bestelling van het damesbadpak en de damesschoenen sprake was van plichtsverzuim. In geschil is met name de vraag of met betrekking tot de rijlaarzen sprake was van plichtsverzuim en of de sanctie van disciplinair ontslag in verband daarmee onevenredig was aan de ernst van het vaststaande plichtsverzuim. De voorzieningenrechter merkt op dat beantwoording van die vragen een afweging vergt die eerst in de bodemprocedure ten volle kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter acht het echter voorshands in redelijke mate waarschijnlijk dat de Raad in de hoofdzaak verzoekers kritiek op de aangevallen uitspraak zal onderschrijven.

4.3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde toestemming had gevraagd en verkregen om ten laste van het teambudget politielaarzen voor zichzelf aan te schaffen. Voorts was met de teamadministratrice afgesproken dat hij de rekening naar de teamadministratie kon laten sturen. Gedaagde heeft, in plaats van laarzen voor zichzelf, zonder te informeren naar de kosten, laarzen laten aanmeten voor zijn vriendin. Volgens de tevoren gemaakte afspraak dat hij de rekening voor zijn laarzen naar de teamadministratie kon laten sturen heeft gedaagde zonder enige toelichting de rekening ten bedrage van f 225,- voor de laarzen van zijn vriendin naar de teamadministratie laten sturen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had gedaagde in de gegeven omstandigheden onmiddellijk op welke (geschikte) wijze dan ook de teamadministratie dienen in te lichten met het verzoek de rekening onmiddellijk na ontvangst aan hem door te geleiden. Voor het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van onjuiste intenties maar dat gedaagdes poging om de teamadministratie in te lichten mislukte omdat S. niet aanwezig was, heeft de Raad in de gedingstukken te weinig aanknopingspunten gevonden. Ook de voorzieningenrechter ziet daarom met de Officier van Justitie en gedaagde en anders dan de rechtbank, in het handelen en nalaten van gedaagde met betrekking tot de laarzen voorshands een poging tot oplichting.

4.3.2.Wat betreft het badpak en de damesschoenen is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagde gelet op het expliciete verbod, niet in redelijkheid kon menen dat het kledingbudget kan worden aangewend voor aanschaffingen ten behoeve van derden. De stelling van gedaagde dat uit de geanonimiseerde bestellijsten blijkt dat het ten laste van het kledingbudget bestellen van goederen voor derden gebruikelijk was en door de korpsleiding werd gedoogd, is namens verzoeker krachtig en beargumenteerd weersproken en de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan die weerspreking te twijfelen.

4.3.3. Het komt de voorzieningenrechter houdbaar voor dat verzoeker het handelen van gedaagde onder voormelde omstandigheden als ernstig plichtsverzuim heeft aangemerkt en in samenhang met het plichtsverzuim terzake van de bestelling van het damesbadpak en de damesschoenen, en gegeven de noodzaak van een strikt integriteitsbeleid, gekozen heeft voor de (zwaarste) sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag. Die sanctie is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Met verzoeker is de voorzieningenrechter daarom van mening dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand zal blijven.

4.4. Op grond van dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich zou brengen dat verzoeker het dienstverband zou moeten herstellen, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.

5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de voorzie-ningenrechter geen grond.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda;

Bepaalt dat de griffier aan de Politieregio Midden en West Brabant het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 348,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) L.N. Nijhuis.