Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
02/3627 WVG + 02/3628 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag vervoerskosten. Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3627 WVG

02/3628 WVG

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[verzoekster] wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verzoekster heeft op de in het verzoekschrift aangevoerde gronden verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 mei 2002, reg.nrs. 01/3203 WVG en 02/1627 WVG.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 februari 2004, waar verzoekster in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K. Evenhuis en C. de Jongh, beiden werkzaam bij de gemeente Woerden.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:88 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Bij de uitspraak van 29 mei 2002 heeft de Raad, voorzover hier van belang, bevestigd de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 mei 2001 op het beroep van verzoekster tegen het besluit op bezwaar van gedaagde van 7 december 2000 met betrekking tot de door verzoekster aangevraagde individuele vervoersvoorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten.

De Raad stelt vast dat de gronden die verzoekster in het (op 4 juli 2002 bij de Raad ingekomen) verzoekschrift en ter zitting heeft aangevoerd, niet kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De kritiek die verzoekster heeft op de rapportage van de betrokken GGD-arts, had zij eerder al in beroep of in hoger beroep naar voren kunnen brengen. De ondertekening op 26 maart 2002 van het zogenoemde Protocol heeft weliswaar plaatsgevonden vóór de uitspraak van 29 mei 2002, maar gelet op de uitspraak van de Raad van 19 november 2003, LJN-nr. AO0526, zou dit feit - waarvan verzoekster heeft gesteld dat zij daarvan pas recentelijk op de hoogte is geraakt - in elk geval niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. Hetgeen verzoekster voor het overige heeft aangevoerd, raakt de inhoud dan wel de wijze van totstandkoming van de uitspraak van 29 mei 2002 en kan daarom evenmin een grond voor herziening als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb opleveren.

Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.