Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
01/5249 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de vaststelling maatmaninkomen is het jarenlang feitelijk genoten loon het uitgangspunt.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5249 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 13 september 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van

13 oktober 1999 waarbij de op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekende uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 5 juli 1999 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 29 augustus 2001, kenmerk AWB 2000 / 1258 WAO Z, het beroep van appellant tegen het besluit van 13 september 2000 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, namens appellant op bij beroepschrift van 28 september 2001 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 4 december 2001, ingediend.

Bij brief van 21 oktober 2003 (met bijlagen) heeft appellant antwoord gegeven op door de Raad bij brief van 2 oktober 2003 gestelde vragen.

Bij brief van 17 december 2003 (met bijlage) heeft gedaagde op dat antwoord een reactie gegeven welke door appellant bij brief van 24 december 2003 van commentaar is voorzien.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 februari 2004. Voor appellant is verschenen mr. Grégoire, voornoemd, en voor gedaagde mr. H.J. van Werven, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren in 1941, was voltijds werkzaam als technisch medewerker in het multi-funktioneel centrum van de Stichting De Hanenhof toen hij in november 1994 met nek- en rugklachten uitviel. In oktober 1995 heeft appellant met 20 uur per week hervat in aangepast lichter technisch onderhoudswerk.

Bij besluit van 15 november 1995 is aan appellant per 17 november 1995 onder meer een WAO-uitkering geweigerd op de grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Maastricht heeft appellants beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard bij haar uitspraak van 25 november 1996, door de Raad bevestigd bij zijn uitspraak van 21 mei 1999.

Naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding is bij besluit van 22 januari 1996 per 28 november 1995 aan appellant een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend, welke uitkering uiteindelijk bij besluit van 21 mei 1997 per 16 maart 1996 is ingetrokken. De rechtbank Maastricht heeft appellants beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard bij haar uitspraak van 7 januari 1998, waartegen geen hoger beroep is ingesteld.

Wegens toeneming per 16 maart 1998 van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als terzake waarvan aan appellant bij voormeld besluit van 22 januari 1996 een WAO-uitkering is toegekend, is aan appellant per 13 april 1998 (met toepassing van de Wet Amber) wederom een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend. Gelijk in rubriek I is vermeld, is die uitkering bij besluit van 13 oktober 1999 per 5 juli 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%, heeft het daartegen gerichte bezwaar van appellant geleid tot het thans bestreden besluit en heeft het hiertegen gerichte beroep van appellant geleid tot de thans aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank te kennen heeft gegeven dat zij zich met de medische en arbeidskundige beoordeling door gedaagde kan verenigen.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat de kantonrechter te Sittard bij vonnis van 7 april 1999 rechtens heeft vastgesteld dat op de arbeidsverhouding tussen appellant en zijn voormalige werkgever de CAO voor de Horeca van toepassing is. Voorts is namens appellant wat zijn grieven betreft verwezen naar hetgeen hij eerder in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren heeft gebracht met verzoek datgene als in hoger beroep herhaald en ingelast te beschouwen. Ter zitting is namens appellant desgevraagd te kennen gegeven dat het bij dat laatste eigenlijk alleen nog maar gaat om de grief dat aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta - Tan en dat van de bezwaararbeidsdeskundige W.P.J.G. Wiertz, welke standpunten evenwel zijn ingenomen zonder dat kennis is genomen van het aanvullend bezwaarschrift van

10 februari 2000.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Wat de medische kant van de zaak betreft onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken of anderszins aannemelijk gemaakt dat de in geding zijnde medische beoordeling niet op goede gronden zou berusten en dat zij zich dan ook aan de hand van de voorhanden medische gegevens voldoende acht voorgelicht over appellants gezondheidstoestand per 5 juli 1999, de thans in geding zijnde datum. Uit de gedingstukken is af te leiden dat het accent van de door appellant geuite klachten gaandeweg is verlegd van nek-, rug- en elleboogklachten naar in ernst en omvang toegenomen psychische klachten waarbij mede een rol heeft gespeeld een arbeidsconflict alsook een echtgenote met klachten over chronische vermoeidheid en fibromyalgie. Over die psychische klachten heeft de verzekeringsarts K. Lemmers bij de appellant behandelende klinisch psycholoog F. Riga gegevens opgevraagd die hem in januari 1999 zijn verstrekt en door hem vervolgens zijn verwerkt in zijn rapport van 23 maart 1999. Appellants psychische problemen hebben de verzekeringsarts aanleiding gegeven om, naast beperkingen ten aanzien van werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo en conflicthantering, een beperking tot en met 20 uren per week aan te nemen. Namens appellant zijn geen medische gegevens overgelegd of anderszins argumenten aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat appellant meer of anders beperkt is.

Aan appellant moet worden toegegeven dat de medische en arbeidskundige beoordeling vanwege gedaagde in bezwaar niet vlekkeloos is verlopen. Uit het door de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta - Tan op 8 mei 2000, met een aanvulling daarop op 18 mei 2000, uitgebrachte advies is op te maken dat zij daarbij niet ook de beschikking heeft gehad over het aanvullend bezwaarschrift van 10 februari 2000. Hetzelfde geldt voor het door de bezwaararbeidsdeskundige Wiertz uitgebracht advies van 12 juli 2000. Aangezien in dat aanvullende bezwaarschrift verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige aspecten aan de orde zijn gesteld, kan aan deze tekortkoming geen andere conclusie worden verbonden dan dat het bestreden besluit wat zowel de medische als de arbeidskundige kant van de zaak betreft is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten dat, indien het bezwaar ontvankelijk is, op de grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden (primaire) besluit plaatsvindt. Het bestreden besluit dient dan ook om die reden te worden vernietigd.

Echter, omdat de in bezwaar aangevoerde grieven wel alsnog in beroep aan de orde zijn gekomen en genoegzaam is komen vast te staan dat die grieven, zou met inachtneming daarvan op het bezwaarschrift zijn beslist, niet zouden hebben geleid tot een ander besluit dan het thans bestreden besluit, ziet de Raad voldoende aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

Overigens is, wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft, namens appellant in hoger beroep nog gesteld dat vanwege gedaagde ten onrechte geen rekening is gehouden met de CAO voor de Horeca, kennelijk ten betoge dat het maatmaninkomen van appellant te laag is vastgesteld.

Te dien aanzien overweegt de Raad het volgende.

De kantonrechter te Sittard heeft bij zijn verstekvonnis van 7 april 1999 voor recht verklaard dat de arbeidsverhouding tussen appellant en de Stichting De Hanenhof mede wordt beheerst door de CAO voor de Horeca. Dat vonnis heeft geresulteerd in een nabetaling door die stichting aan appellant van een bedrag van f 10.000,-- bruto oftewel f 6.860,-- netto, welk laatste bedrag op 21 december 1999 aan appellant is uitbetaald. Appellants maatmaninkomen is bij het hiervoor vermelde besluit van 15 november 1995 (waarop de eveneens hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 21 mei 1999 betrekking heeft) per 17 november 1995 vastgesteld (op f 19,31 bruto per uur) op basis van het door appellant toentertijd jarenlang feitelijk genoten loon. Naar de Raad eerder bij zijn (niet gepubliceerde) uitspraak van 11 september 1998, kenmerk 95/6994 AAW/WAO, heeft geoordeeld, moet het jarenlang feitelijk genoten loon uitgangspunt zijn bij de vaststelling van het maatmaninkomen. De gedingstukken in het thans aanhangige geding bieden geen aanknopingspunt voor het trekken van de conclusie dat appellant zich toentertijd heeft verzet tegen de hoogte van het door hem jarenlang feitelijk genoten loon of tegen het toepassen op hem van een andere arbeidsvoorwaardenregeling dan de CAO voor de Horeca. Niet is dan ook in te zien dat appellants maanman-inkomen niet op de juiste wijze of niet op de juiste hoogte is vastgesteld. Deze grief faalt derhalve.

Hierbij tekent de Raad nog het volgende aan.

De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is door de arbeidsdeskundige op 27 april 1999 berekend op 55,41%, uitgaande van evenvermeld maatmaninkomen dat met indexering is gesteld op f 21,24 bruto per uur en van een mediaan uurloon (na reductie met 20/40 vanwege de urenbeperking) van f 9,47 bruto per uur. De arbeidsongeschikt-heidsklasse van 65-80% wordt onder die omstandigheden eerst bereikt bij een geïndexeerd maatmaninkomen van f 27,06 bruto per uur. Dat vereist een verhoging van het bruto-uurloon met f 5,82 en dat zou betekenen dat de nabetaling, indien die uitsluitend regulier loon zou hebben omvat, betrekking moet hebben gehad op een hier in aanmerking te nemen periode van ongeveer

43 weken. Uit de gedingstukken is evenwel niet af te leiden waarop het ronde bedrag van de nabetaling precies betrekking heeft gehad. Die stukken bevatten evenmin enige aanwijzing over een eventuele periode waarop de nabetaling betrekking heeft gehad. Uit de gedingstukken blijkt wèl dat appellant zeker reeds sedert 21 april 1983 gedurende 40 uur per week in loondienst van de stichting werkzaam is geweest. Daarbij komt nog dat niet aan te nemen valt dat het uurloon van appellant in de functie van technisch medewerker enkel en alleen vanwege het vallen onder de CAO voor de Horeca uitkomt op een zóveel hoger uurloon dat (bij overigens gelijkblijvende omstandigheden) indeling in de naasthogere arbeidsongeschiktheidsklasse volgt.

Tot slot acht de Raad termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beide instanties betaalde recht van in totaal € 104,37 (€ 27,23 + € 77,14) dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.