Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
02/4964 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank is buiten de grensen van het geding getreden door ambtshalve te toetsen aan artikel 43a WAO

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 267 met annotatie van F.J.L. Pennings
USZ 2004/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4964 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 januari 2001 heeft appellant geweigerd gedaagde met ingang van 1 maart 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat gedaagde per deze datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 12 juli 2001 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 18 januari 2001 gegrond verklaard en haar ingaande 1 maart 2001 alsnog een uitkering krachtens de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij uitspraak van 6 augustus 2002, nr. AWB 01/2029 WAO, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van gedaagde tegen het besluit van 12 juli 2001 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaalt dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, met bijkomende beslissingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 21 oktober 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 18 november 2002.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 februari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door L. den Hartog, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde is verschenen bij mr. K.H. Bressers, advocaat te Eindhoven.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft zich op 22 maart 1998 met psychische klachten ziek gemeld voor haar werk als assistent inkoopster. Per einde wachttijd is haar een uitkering op grond van de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 15 juni 1999 ingetrokken omdat gedaagde per deze datum voor minder dan 15% als arbeidsongeschikt werd beschouwd.

Op 2 maart 2000 heeft gedaagde zich wederom ziek gemeld met psychische klachten.

Na door een verzekeringsgeneeskundige respectievelijk een arbeidsdeskundige ingesteld onderzoek is geoordeeld dat gedaagde niet als arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was aan te merken, reden waarom appellant bij het primaire besluit van 18 januari 2001 geweigerd heeft gedaagde ingaande 1 maart 2001 een WAO-uitkering toe te kennen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in afwijking van de (primaire) verzekeringsarts op het standpunt gesteld dat gedaagde voor ten hoogste 24 uur per week met arbeid belastbaar was aangezien zij uitgebreid behandeld en begeleid werd, waarvoor voldoende tijd diende te worden ingeruimd.

Gelet hierop heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nieuwe functieselectie en daarop gebaseerde schatting uitgevoerd die als conclusie te zien gaf dat gedaagde moest worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

In overeenstemming hiermede heeft appellant bij het bestreden besluit van 12 juli 2001 aan gedaagde een uitkering krachtens de WAO naar evengenoemde arbeidsongeschiktheidsklasse toegekend.

De rechtbank heeft overwogen dat zeer wel kan worden aangenomen dat de arbeidsongeschiktheid van gedaagde per

2 maart 2000 voortkomt uit dezelfde oorzaak als die terzake waarvan de per 15 juni 1999 ingetrokken uitkering werd genoten, te weten psychische klachten. Naar het oordeel van de rechtbank had derhalve op grond van artikel 43a van de WAO vier weken na 2 maart 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan gedaagde dienen te worden toegekend. Aangezien appellant dit had nagelaten, heeft hij volgens de rechtbank in strijd met dit artikel gehandeld. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook vernietigd.

Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd en daarbij aangevoerd dat gedaagde in bezwaar noch beroep zich erover heeft beklaagd dat voormeld artikel 43a niet is toegepast. Nu de rechtbank het bestreden besluit niettemin wegens strijd met dit artikel heeft vernietigd, is zij buiten de grenzen van het rechtsgeding getreden, hetgeen zich niet verdraagt met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus appellant.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen nog slechts in geschil is of de rechtbank het bestreden besluit terecht op de hiervoor vermelde grond heeft vernietigd.

De Raad is met appellant van oordeel dat de vraag of appellant in dit geval toepassing had moeten geven aan artikel 43a van de WAO buiten de omvang van het door de rechtbank te beslechten geschil viel. Gedaagde had dit artikel, waarvan de toepassing haar tot nadeel zou kunnen strekken, immers in het geheel niet ter sprake gebracht terwijl de vraag naar de toepasselijkheid van dit artikel ook niet in een zodanig verband kon worden gebracht met de door gedaagde bij de rechtbank wel aangevoerde grieven dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om zich over deze vraag te buigen. Nu artikel 43a van de WAO ook niet kan worden gezien als een bepaling van openbare orde waaraan de rechtbank ambtshalve diende te toetsen, is de Raad van oordeel dat de rechtbank ook daaraan geen bevoegdheid kon ontlenen om dit artikel aan haar uitspraak ten grondslag te leggen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.