Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
02/6536 AW + 03/4642 AW + 03/5743 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van betrokkene om in aanmerking te worden gebracht voor de bijzondere verlenging van het wachtgeld afgewezen omdat geen aanleiding bestaat terug te komen van het eerder ten aanzien van de wachtgeldduur genomen besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6536 AW + 03/4642 AW + 03/5743 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van de gemeente Laarbeek, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [werknemer], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2003, nr. AWB 02/2775 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Vervolgens zijn diverse stukken ingebracht, waaronder het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door appellant genomen nadere besluit gedateerd 10 september 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. A.G. Kerkhof, werkzaam bij CAPRA, en C.J. Smies, werkzaam bij de gemeente Laarbeek, en waar voor gedaagde is verschenen mr. K. de Meij, advocaat te Eindhoven. Voorts heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek zich eveneens laten vertegenwoordigen door

mr. A.G. Kerkhof en C.J. Smies.

II. MOTIVERING

1. De Raad verwijst voor de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden allereerst naar zijn uitspraak van 22 april 1999, nr. 97/2623 AW, gepubliceerd in TAR 1999, 93, gewezen in het geding tussen gedaagde (toen appellante) enerzijds en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek (hierna: het College) en appellant (toen gedaagden) anderzijds, en volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij die uitspraak is het door het College aan gedaagde per 1 september 1996 wegens onverenigbaarheid van karakters verleende ontslag in stand gebleven. Het besluit tot toekenning van wachtgeld is vernietigd, omdat dat besluit ten onrechte door het College in plaats van door appellant was genomen. Voorts is bepaald, voorzover hier van belang, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde uitkeringsbesluit geheel in stand blijven.

1.2. Bij brief van 9 oktober 2000 is namens gedaagde verzocht om haar in aanmerking te brengen voor de bijzondere verlenging van het wachtgeld, als omschreven in artikel 10:8, vierde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR).

1.3. Appellant heeft dat verzoek bij besluit van 31 januari 2002 afgewezen. Daartoe is overwogen dat de Raad in zijn uitspraak van 22 april 1999 hieromtrent een in rechte onaantastbaar oordeel heeft gegeven en dat geen aanleiding bestaat terug te komen van het eerder ten aanzien van de wachtgeldduur genomen besluit. Bij beslissing op bezwaar van

29 augustus 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant die afwijzing gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts zijn bepalingen gegeven inzake het griffierecht en de proceskosten.

Volgens de rechtbank was er nog niet eerder een beslissing genomen omtrent de bijzondere verlenging van het wachtgeld en diende de daaraan door de Raad gewijde overweging aangemerkt te worden als een vingerwijzing voor partijen die van belang zou zijn bij een (toen nog) toekomstige beoordeling van een verlenging van de wachtgeldduur.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt voorop, en ter zitting heeft de gemachtigde van appellant ook erkend, dat in verband met de door de wetgever met de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111) beoogde wijziging in het stelsel van gemeentelijke bevoegdheden, niet appellant maar het College, als rechtsopvolger van appellant, de beslissing had dienen te nemen op het bezwaar van gedaagde tegen appellants afwijzende besluit van 31 januari 2002. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit reeds op deze grond had moeten vernietigen.

3.2. In aanmerking genomen dat het College zich in het geding bij de Raad heeft laten vertegenwoordigen en zich voorts, blijkens de verklaring van zijn gemachtigde, achter de besluitvorming van appellant heeft geschaard, zal de Raad een inhoudelijk oordeel geven over het bestreden besluit.

3.3. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat het verzoek van gedaagde om verlenging van de wachtgeldduur ten onrechte is gekwalificeerd als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit, zodat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het besluit over de toekenning van het wachtgeld door het College geen beslissing omtrent de duur van dat wachtgeld omvat. Aan gedaagde is bij besluit van 18 juli 1996 een wachtgelduitkering toegekend, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 10:1 en volgende van de CAR, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd.

3.4. Dat partijen in die fase hebben gecorrespondeerd over de mogelijke duur van het wachtgeld is in dit verband onvoldoende om te kunnen spreken van een besluit over de duur van het wachtgeld. De Raad wijst er hierbij op dat het College zich zowel in de bezwaarfase als in de procedure indertijd bij de rechtbank uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de beslissing omtrent de uitkering enkel inhield dat een uitkering werd toegekend naar het niveau van een uitkering krachtens hoofdstuk 10 van de CAR/UWO. Volgens het College zou worden betaald hetgeen conform de daarvoor geldende regeling zou moeten worden betaald. Indien bij de uitvoering van de wachtgeldregeling zou blijken dat gedaagde tot haar 65e jaar recht op uitkering zou hebben, dan zou aan de daaruit voortvloeiende verplichting worden voldaan.

De beslissing van de Raad om de rechtsgevolgen van het vernietigde uitkeringsbesluit in stand te laten hield, gezien de reikwijdte van het oorspronkelijke, in bezwaar gehandhaafde, uitkeringsbesluit, dan ook niet meer in dan dat een uitkering naar het niveau van een uitkering krachtens hoofdstuk 10 van de CAR werd toegekend. De overwegingen die de Raad heeft gewijd aan de verlenging van de wachtgeldduur op grond van artikel 10:8, vierde lid, van de CAR kunnen dan ook niet anders worden gezien dan als overwegingen ten overvloede, die niet een partijen bindend karakter hebben.

4.1. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft appellant op 10 september 2003 een nader besluit genomen, inhoudende dat gedaagde niet in aanmerking komt voor de door haar gevraagde bijzondere verlenging van het wachtgeld. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt tot dit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nadere besluit.

4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 3.1. is overwogen volgt dat de rechtbank niet appellant maar het College opdracht had moeten geven ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nader besluit te nemen. Derhalve dient de aangevallen uitspraak voor wat betreft de daar in gegeven opdracht te worden vernietigd. Ook het nadere besluit dient, nu het ten onrechte door appellant is genomen, te worden vernietigd.

4.3. Voorts is van belang dat uit hetgeen hiervoor onder 3.3. en 3.4. is overwogen blijkt dat de Raad de overwegingen onderschrijft die de rechtbank inhoudelijk aan het bestreden besluit heeft gewijd. Dit betekent dat het College bij de alsnog door hem te nemen beslissing op bezwaar inhoudelijk zou moeten ingaan op het verzoek van gedaagde om aan haar een bijzondere verlenging van het wachtgeld toe te kennen.

Nu appellant op 10 september 2003 een dergelijke inhoudelijke beslissing heeft genomen en het College zich achter dat nadere besluit heeft gesteld, terwijl gedaagde tegen dat nadere besluit uitgebreid verweer heeft gevoerd, ziet de Raad aanleiding, met het oog op de mogelijkheid toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat nadere besluit inhoudelijk te beoordelen.

5.1. Blijkens dat nadere besluit komt gedaagde niet in aanmerking voor de bijzondere verlenging van haar wachtgelduitkering, omdat zij niet kan wijzen op voldoende diensttijd. Het geschilpunt dat partijen hierbij verdeeld houdt is de vraag of het College de diensttijd, waarvan de opbouw voor het pensioen ten tijde van het ontslag was afgekocht, terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

5.2. De Raad overweegt hieromtrent dat het College zich, gezien de tekst van artikel 10:8, vierde lid, van de CAR, met recht op het standpunt heeft gesteld dat, waar in die bepaling wordt gesproken over het ten tijde van het ontslag volbracht hebben van een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, daaronder niet kan worden begrepen diensttijd, waarvan de opbouw van het pensioen ten tijde van het ontslag was afgekocht.

5.3. Gedaagde heeft er terecht op gewezen dat het begrip diensttijd in artikel 10:3, eerste lid, van de CAR is gedefinieerd als, voorzover hier van belang, in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP (WPA) is verbonden. Volgens gedaagde doet het feit, dat bepaalde diensttijd is afgekocht, niet af aan het feit dat het daarmee tijd blijft waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden.

Wat hiervan ook zij, de Raad wijst erop dat het in artikel 10:8, vierde lid, van de CAR gaat om ten tijde van het ontslag volbrachte diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, waaraan de Raad nog toevoegt dat met het voor de tweede keer gebruikte woord diensttijd in deze bepaling niet anders kan zijn bedoeld dan eveneens "diensttijd, voor zover geldig voor pensioen".

5.4. Het betoog van gedaagde dat uit een circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 1975 een andersluidende interpretatie zou volgen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat die circulaire zag op de anders geredigeerde bepalingen in het toenmalige Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de toenmalige Uitkeringsregeling 1966.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde geen aanspraak heeft op verlenging van haar wachtgeld, als omschreven in artikel 10:8, vierde lid, van de CAR. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat gedaagde geen recht heeft op de door haar gevraagde bijzondere verlenging van het wachtgeld.

6. De Raad constateert voorts dat het voorwaardelijk door gedaagde gedane verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 april 1999, gelet op hetgeen is overwogen in 3.3. en 3.4., geen verdere bespreking behoeft. Dat verzoek was namelijk gedaan voor het geval dat bij die uitspraak wèl partijen bindende overwegingen waren gegeven omtrent de verlenging van de wachtgeldduur op grond van artikel 10:8, vierde lid, van de CAR.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad termen aanwezig appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 805,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met betrekking tot de daarin aan appellant gegeven opdracht;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Vernietigt de beslissing op bezwaar van 10 september 2003;

Bepaalt dat gedaagde geen recht heeft op een bijzondere verlenging van het wachtgeld, zoals omschreven in artikel 10:8, vierde lid, van de CAR;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de gemeente Laarbeek.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.G.J. Broekhuizen.

Q