Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
02/4796 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betekenis privaatrechtelijke overeenkomst inzake ontslagregeling ambtenaar. Geen dwaling, want achtergehouden informatie was niet van wezenlijk belang voor de afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4796 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

Gedeputeerde Staten van Gelderland, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde en nadien nog aangevulde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 juli 2002, nr. 01/2092 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. H.A.E. van Soest, werkzaam bij Vijverberg Juristen.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij de afdeling Landelijk Gebied van de provincie Gelderland. Vanwege problemen in de verhouding met de dienstleiding is hij, ter voorkoming van escalatie, met ingang van 1 januari 2000 gedetacheerd bij het Informatie- en Kenniscentrum Natuurbeheer te Wageningen. Tijdens deze detachering zijn opnieuw wrijvingen tussen partijen ontstaan, nu over de vervulling van een ontstane vacature. Dit heeft geleid tot gesprekken om te komen tot beëindiging van de arbeidsrelatie.

1.2.Nadat verschillende voorstellen de revue hadden gepasseerd is uiteindelijk op 13 juni 2000 een overeenkomst gesloten tussen appellant en de provincie Gelderland, vertegenwoordigd door de Commissaris van de Koningin. In die overeenkomst is onder meer vastgelegd dat appellant ontslag zou nemen per 1 januari 2001, dat hem de gelegenheid werd geboden tot een bedrag van maximaal f 10.000,- netto een outplacement/studietraject ter verwerving van een andere functie op te pakken, waarvan de rekening rechtstreeks door de provincie zou worden betaald, alsmede dat hij vanaf 1 juli 2000 geen daadwerkelijke arbeid meer behoefde te verrichten.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2000 hebben gedaagden appellant op zijn verzoek ontslag uit de provinciale dienst verleend met ingang van 1 januari 2001.

1.4. Bij brief van 18 oktober 2000 hebben gedaagden appellant meegedeeld dat inmiddels was gebleken dat hij voor de totstandkoming van de overeenkomst reeds een arbeids-contract had getekend bij een andere werkgever en aldus essentiële informatie heeft verzwegen. Nadat appellant in de gelegenheid was gesteld daartegen bedenkingen naar voren te brengen, hebben gedaagden bij besluit van 20 december 2000, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 oktober 2001, de overeenkomst vernietigd, verklaard niet gehouden te zijn om verder uitvoering te geven aan die overeenkomst, vastgesteld dat het salaris over augustus en september onverschuldigd is betaald, bepaald dat ter voorkoming van escalatie wordt afgezien van terugvordering en appellant de disciplinaire straf van berisping opgelegd.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en uit de stukken naar voren is gekomen, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De overeenkomst vormt de neerslag van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de beëindiging van het ambtelijke dienstverband. Wat er zij van de betekenis van de overeenkomst naar burgerlijk recht, in de tussen appellant en gedaagden bestaande ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding moeten deze afspraken worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan gedaagden toekomende ontslagbevoegdheid. Aan deze ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor de overheid maar ook voor de ambtenaar geldt. Dit beginsel brengt met zich dat de gemaakte afspraken in acht dienen te worden genomen tenzij - voorzover hier van belang en kort gezegd - sprake is van wilsgebreken.

2.2. Het primaire besluit van 20 december 2000 moet worden gekwalificeerd als een besluit waarbij gedaagden, op grond van de overweging dat zij in de onderhandelingen door appellant zijn misleid en om die reden niet meer tot nakoming van de ontslag-regeling zijn gehouden, een aantal van de ten behoeve van appellant getroffen voorzieningen ongedaan hebben gemaakt en appellant wegens plichtsverzuim hebben berispt. Gedaagden hebben gesteld dat de ontslagregeling niet of niet op dezelfde voorwaarden tot stand zou zijn gekomen indien gedaagden hadden geweten dat appellant reeds ver gevorderd was met het zoeken van een nieuwe baan en, later in de onderhan-delingen, reeds een arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever had gesloten. Gedaagden hebben er daarbij op gewezen dat de regeling er in voorzag appellant een ruime periode te gunnen om een nieuwe functie te verwerven, hetgeen achteraf bezien niet nodig bleek.

2.3. Appellant heeft steeds betoogd dat van misleiding geen sprake is geweest. Hij heeft er op gewezen dat van meet af aan gesproken is over beëindiging van het dienstverband vanwege verstoorde arbeidsverhoudingen, waarbij voorop stond dat appellant geen arbeid meer zou behoeven te verrichten voor gedaagden. In plaats van een geldbedrag ineens is vanwege gedaagden en om hen moverende redenen gekozen voor doorbetaling van salaris voor een bepaalde periode.

2.4. De Raad kan in de stukken - waaronder de van provinciewege opgestelde gespreksverslagen - en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanknopingspunten vinden om de conclusie van gedaagden te onderschrijven. De stukken laten zien dat partijen de onderhandelingen zijn ingegaan op basis van een door appellant gestelde onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie, die zou moeten leiden tot ontslag met daaraan verbonden een financiële tegemoetkoming. Blijkens het verslag van het gesprek op 28 april 2000 is van de zijde van gedaagden voorgesteld om, in plaats van de door appellant beoogde afkoop van financiële verplichtingen en vanwege de ongewenste precedentwerking die daarvan uit zou kunnen gaan, enige tijd salaris door te betalen waarvoor geen arbeidsprestatie zou worden verlangd en daarnaast een som geld uit te keren die appellant kan besteden aan outplacement. Uiteindelijk is gekozen voor een nog langere periode van salarisdoorbetaling - door verdere opschuiving van de ontslagdatum naar 1 januari 2001 - en een lager bedrag ineens, aan te wenden voor studie ter verwerving van een andere functie, welk bedrag door de provincie buiten appellant om zou worden voldaan. De Raad leidt hieruit af dat aldus vorm is gevonden door partijen om te komen tot vrijwillig ontslag van appellant met daaraan verbonden een financiële tegemoetkoming. Hierbij is klaarblijkelijk doorslaggevend geweest dat op deze wijze de rechtstreekse betaling van een bedrag ineens kon worden vermeden. Door ervan af te zien in de ontslagregeling een voorziening op te nemen voor het geval appellant bij een andere werkgever in dienst zou treden binnen de periode van ruim zes maanden die nog restte tot aan het formele einde van zijn dienstbetrekking hebben gedaagden niet alleen te kennen gegeven geen wezenlijk belang te hechten aan de datum van in diensttreding van appellant bij een andere werkgever, maar hebben zij tevens aanvaard dat appellant op enig moment naast zijn provinciale salaris een ander inkomen zou genieten. Hoewel het appellant zou hebben gesierd indien hij te allen tijde opening van zaken zou hebben gegeven, kan de Raad in appellants handelwijze in het licht van vorenstaande geen misleiding zien.

2.5. Evenmin kan worden gezegd dat gedaagden ten gevolge van een door appellant bij hen veroorzaakte verkeerde voorstelling van zaken met de ontslagregeling hebben ingestemd. Zij hebben zich dan ook ten onrechte ontslagen geacht van hun verplichting om de ontslagregeling onverkort na te leven en aldus hebben zij in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel beslist. Het betekent voorts dat appellant zich niet heeft schuldig gemaakt aan het door gedaagden gestelde plichtsverzuim, zodat gedaagden niet bevoegd waren hem de disciplinaire straf van berisping op te leggen.

2.6. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen niet in stand blijven. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de Raad ook het primaire besluit vernietigen.

3. De Raad acht termen aanwezig om gedaagden met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 966,- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van gedaagden van 9 oktober 2001 en 20 december 2000;

Veroordeelt gedaagden in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de provincie Gelderland;

Bepaalt dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Pijper.

HD

29.03