Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
02/2530 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om ongeval van aalmoezenier aan te merken als een dienstongeval?

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 147
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2530 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 maart 2002,

nr. AWB 01/1309, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad met het volgende.

Op 12 mei 1998 is appellant, die destijds als aalmoezenier werkzaam was bij het [naam vormingscentrum] in [vestigingsplaats], op weg van dat centrum naar huis laat in de middag een auto-ongeval overkomen, waarbij hij gewond is geraakt.

Bij het bestreden besluit van 13 oktober 2000 heeft gedaagde, na gemaakt bezwaar, zijn weigering gehandhaafd om dat ongeval aan te merken als een dienstongeval. Daarbij heeft gedaagde het standpunt ingenomen dat het ongeval geen verband houdt met het gestelde in artikel 4 dan wel artikel 5 van de Regeling proces-verbaal van ongeval en rapportage medische aangelegenheden, omdat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens woon-werkverkeer.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat het ongeval niet in verband staat met de uitoefening van de dienst omdat het ongeval plaatsvond tijdens het woon-werkverkeer. Appellants stelling dat voor het antwoord op de vraag of dat verband aanwezig is de criteria zoals genoemd in de artikelen E11 en E11a van de Algemene militaire pensioenwet (AMP-wet) bepalend zijn, heeft de rechtbank verworpen.

Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Daartoe is aangevoerd dat hij ten tijde van het ongeval in het kader van zijn functie van aalmoezenier ook hoofdredacteur was van het blad [naam blad]. Op het tijdstip van het ongeval was hij op weg van [vestigingsplaats] naar zijn woonadres in [woonplaats]. Hij had niet alleen alvast vergaderstukken, maar ook, met toestemming van de Hoofdkrijgsmacht-aalmoezenier, de dienstauto mee naar huis genomen, teneinde de volgende morgen zonder omweg en tijdverlies naar de redactievergadering in Dalfsen te rijden. Volgens appellant staat het ongeval daarom in verband met de uitoefening van de dienst. Tenslotte is gesteld dat hij een bedrag van f 950,- van het Ministerie van Defensie vergoed heeft gekregen vanwege het bij het ongeval beschadigd raken van zijn fotocamera.

Gedaagde heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In dit verband is aangegeven dat appellant wel kan worden gevolgd in diens stelling dat de toetsingscriteria voor het vaststellen van het verband tussen het ongeval en de dienst dezelfde zijn als die in het kader van de artikelen E11 en E11a van de AMP-wet worden gehanteerd.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 147, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) schrijft gedaagde voor om na ontvangst van een proces-verbaal als bedoeld in het eerste lid van dat artikel te beslissen of het ongeval waarop het proces-verbaal betrekking heeft wel of niet geacht kan worden in verband te staan met de uitoefening van de dienst.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde, kennelijk met toepassing van dat voorschrift, beslist dat het ongeval niet in verband staat met de uitoefening van de dienst. De Raad merkt in de eerste plaats op dat in dit besluit ten onrechte de Regeling proces-verbaal van ongeval en rapportage medische aangelegenheden als grondslag voor dat standpunt wordt genoemd. Deze regeling bevat slechts een samenstel van regels voor het opmaken van een proces-verbaal zoals bedoeld in artikel 147, eerste lid, van het AMAR. Gedaagde had dan ook artikel 147, derde lid van het AMAR, als de grondslag van zijn besluit moeten noemen.

Wel volgt naar het oordeel van de Raad uit de toelichting bij genoemde regeling dat er een verband is tussen het nemen van de beslissing op basis van artikel l47, derde lid, van het AMAR, en het bepaalde in de artikelen E11 en E11a van de AMP-wet. Niet onjuist is dan ook de opvatting van appellant dat de rechtbank ten onrechte ieder verband heeft ontkend. Ingevolge laatstgenoemd artikel is een dienstverband aanwezig als de aard van de werkzaamheden als overwegende oorzaak van het ongeval is aan te merken. De Raad stelt vast dat gedaagde dit criterium wel heeft gehanteerd en ook heeft kunnen hanteren bij de onderhavige vraag of er verband is tussen het ongeval en de uitoefening van de dienst.

De Raad zal, gelet op het vorenstaande, alsnog aan de hand van dit criterium nagaan of in dit geval door gedaagde ten onrechte is geconcludeerd dat er geen verband is met de dienst.

Appellants reis naar huis met de dienstauto hield verband met de vergadering waar hij de volgende dag naartoe moest. Verder staat vast dat appellant toestemming had om de dienstauto te gebruiken. Anderzijds dient in aanmerking te worden genomen dat appellant naar zijn woonadres reed zoals hij gewoonlijk op dat tijdstip deed. Alleen vanwege de omstandigheid dat hij in [woonplaats] woonde was het doelmatiger dat hij alvast de dienstauto meenam. Naar het oordeel van de Raad voert het onder deze omstandigheden te ver om te stellen dat de reis hierdoor niet langer het karakter van woon-werkverkeer had en dat de aard van het werk meebracht dat appellant ten tijde van het ongeval in de dienstauto reed. Voorts merkt de Raad nog op dat appellant evenmin vanwege het reizen met de dienstauto in plaats van met zijn eigen auto een verhoogd risico op een ongeval heeft gelopen. Het ongeval is derhalve niet in overwegende mate veroorzaakt door de aard van appellants werk. De omstandigheid dat appellant een deel van de schade vergoed heeft gekregen doet aan deze conclusie niet af. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I.D. Veldman.