Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
26-04-2004
Zaaknummer
02/3542 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank, nu er een nader besluit is genomen zonder dat sprake was van een adequate overgangsregeling ten behoeve van de reeds in dienst zijnde speurhondgeleiders bij de belastingdienst?

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3542 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 31 mei 2002, nrs. Awb 02-460 en 01-1143 AW H V59 G17 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen en mr. M.M.M. Meijer, beiden werkzaam bij de Belastingdienst.

Op verzoek van appellant zijn ter zitting als getuigen gehoord [getuige 1], wonende te Werkendam en [getuige 2], wonende te [woonplaats].

II. MOTIVERING

1.1. Appellant is sinds 1977 in dienst van gedaagde en heeft vanaf 1984 de functie van speurhondgeleider uitgeoefend. In die hoedanigheid was hij werkzaam bij de Douane in het district [naam district] en heeft hij met drie speurhonden gewerkt. Toen in 2000 bleek dat zijn derde speurhond in verband met gezondheidsproblemen zijn werkzaamheden niet lang meer zou kunnen verrichten, heeft appellant verzocht hem in aanmerking te laten komen voor een nieuwe speurhond. Appellants verzoek is, onder verwijzing naar het destijds geldende mobiliteitsbeleid, bij besluit van 9 mei 2000 afgewezen. Uitgangspunt van dit beleid vormde de zogenoemde functionele mobiliteit: in beginsel dienen alle medewerkers bij de belastingdienst één maal in de vijf jaar van functie te wisselen. De achterliggende gedachte hierbij is dat medewerkers door regelmatig van functie of werkplek te wisselen, beschermd worden tegen het inslijpen van vaste gewoontes en te nauwe banden met personen of organisaties die zij moeten controleren. Dit is met name van belang bij kwetsbare functies waarin medewerkers meer dan in andere gevallen bloot kunnen staan aan de risico's van fraude, omkoping of corruptie.

Daarnaast vergroot functionele mobiliteit de flexibiliteit van de organisatie als geheel alsmede de ontplooiings- mogelijkheden van de individuele medewerker.

1.2. Voor speurhondgeleiders waren de algemene uitgangspunten aldus uitgewerkt dat zij de functie van speurhondgeleider konden vervullen gedurende een periode van maximaal tien jaar, dan wel de gebruiksduur, dat wil zeggen de periode dat een gecertificeerde hond werkzaam is, van twee honden. Daarna kwamen ook zij in aanmerking voor een andere functie.

1.3. In oktober 2000 is appellants hond definitief afgekeurd voor verdere dienst. De weigering een nieuwe speurhond toe te kennen is na gemaakt bezwaar bij besluit van 18 oktober 2000 gehandhaafd.

1.4. Bij uitspraak van 4 juni 2001, nr. AWB 00-8658 AW, heeft de rechtbank Haarlem het bestreden besluit van 18 oktober 2000 vernietigd. Hoewel de rechtbank het algemeen geformuleerde landelijke beleid niet onredelijk dan wel anderszins onaanvaardbaar achtte, was zij van oordeel dat de uitwerking van het landelijk beleid voor de reeds bij gedaagde werkzame speurhondgeleiders in strijd kwam met het rechtszekerheidbeginsel. Gezien de aanzienlijke consequenties die het werken met een speurhond heeft voor met name het privé-leven van de betreffende speurhondgeleider - zoals speciale eisen op huisvestingsgebied en gebrek aan carrièremogelijkheden - is die functie niet zonder meer op één lijn te stellen met de overige functies bij gedaagde en vereiste het rechtszekerheidbeginsel dat een adequate overgangsregeling werd getroffen voor de reeds bij gedaagde in dienst zijnde speurhondgeleiders, aldus de rechtbank. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.5. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2001 heeft gedaagde ten behoeve van de fungerende speurhondgeleiders nieuw beleid geformuleerd, dat uiteindelijk in februari 2002 definitief is vastgelegd in de "Overgangsregeling mobiliteitsbeleid voor speurhondgeleiders die vóór 7 maart 2001 zijn aangewezen" (hierna: de Overgangsregeling). Gedaagde heeft daarbij enerzijds het uitgangspunt van mobiliteit gehandhaafd, in die zin dat een speurhondgeleider niet langer binnen één regio werkzaam kan zijn dan de gebruiksduur van twee honden, maar anderzijds rekening gehouden met het feit dat een speurhondgeleider zijn functie voor langere periode aanvaardt. Om die reden is bepaald dat een geleider die zijn loopbaan in deze specialistische functie wil vervolgen - in plaats van voor functionele mobiliteit - in eerste instantie in aanmerking kan komen voor geografische mobiliteit. Dit betekent dat er na twee honden verplaatsing plaats kan vinden naar een andere regio (ander geografisch werkgebied met andere klanten). Gedaagde heeft als voorwaarde hiervoor gesteld dat er formatieve ruimte is of dat er mobiliteitskandidaten zijn waarmee gewisseld kan worden en dat de speurhondgeleider voldoet aan de eisen welke aan de functie van speurhondgeleider in het andere werkgebied worden gesteld. Niet van belang is dat een speurhondgeleider reeds in meer dan één regio werkzaam is geweest, maar wel de huidige regio en het aantal honden in die regio. Indien een speurhondgeleider in zijn huidige regio reeds met zijn derde, vierde of volgende hond werkzaam is, wordt deze hond voor deze regeling aangemerkt als zijn tweede hond.

1.6. Gedaagde heeft ter uitvoering van de uitspraak van 4 juni 2001 bij het thans bestreden besluit van 4 juli 2001 het besluit van 9 mei 2000 ingetrokken en besloten dat appellant alsnog in aanmerking komt voor een nieuwe speurhond. Gelet op de uitgangspunten van het mobiliteitsbeleid, de mogelijkheid tot geografische mobiliteit, de lange periode dat appellant werkzaam was geweest als speurhondgeleider in het District [naam district]p, de persoonlijke omstandigheden van appellant waaronder zijn woonplaats en de mogelijkheid die zich voordeed de functie in een ander district te vervullen, achtte gedaagde het gerechtvaardigd appellant met toepassing van artikel 57, tweede lid, onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement te plaatsen bij het Douane district Amsterdam.

1.7. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het daartegen ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Appellants raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de onder 1.4. genoemde uitspraak van de rechtbank, nu hij een nader besluit heeft genomen zonder dat er sprake was van een adequate overgangsregeling ten behoeve van de reeds in dienst zijnde speurhondgeleiders. Daarnaast acht appellant het besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel. Gelet op de door gedaagde gedane toezeggingen, mocht appellant erop vertrouwen dat hij zou kunnen terugkeren in zijn oude functie binnen het district [naam district]p. Appellant acht voorts het gelijkheidsbeginsel geschonden.

3.1. De Raad stelt voorop dat hij de door gedaagde gekozen nadere uitwerking van het algemene beleid voor de groep van speurhondgeleiders, zoals vastgelegd in de Overgangsregeling niet onredelijk acht. Door naast functionele, geografische mobiliteit mogelijk te maken blijft het beleid enerzijds voldoen aan de algemene - en naar het oordeel van de Raad redelijke en aanvaardbare - doelstelling dat door mobiliteit kwetsbare functies worden beschermd tegen gevaren als onder 1.1. genoemd, terwijl gedaagde anderzijds de nadelige consequenties van functionele mobiliteit voor speurhondgeleiders zoveel mogelijk heeft weggenomen.

De omstandigheid dat ten tijde van het bestreden besluit van 4 juli 2001 het nadere beleid nog niet schriftelijk was vastgelegd en wellicht ook nog niet tot in alle details was uitgekristalliseerd, doet niet af aan het feit dat gedaagde zijn beslissing op dit nadere beleid mocht baseren. Gedaagde diende immers op grond van de door partijen aanvaarde uitspraak van 4 juni 2001 tot hernieuwde besluitvorming over te gaan en omtrent de voor het geval van appellant van belang zijnde aspecten van de tot stand te brengen Overgangsregeling bestond reeds voldoende duidelijkheid. Voorts blijkt uit de stukken dat de mogelijkheid om in het kader van mobiliteit in een ander district te werken reeds onderwerp van gesprek met appellant was geweest en had appellant eerder te kennen gegeven daar niet afkerig tegenover te staan.

3.2. Ook de wijze waarop gedaagde het nader gevormde beleid concreet in de onderhavige zaak heeft toegepast, kan de rechterlijke toets doorstaan. Daarbij overweegt de Raad dat appellant in het district Amsterdam geplaatst is in een zelfde functie als die hij in [naam district]p uitoefende, te weten speurhondgeleider. Dat appellant in het district Amsterdam een zogenoemde tabakshond toegewezen zou krijgen in plaats van een verdovende-middelenhond, waarmee hij gewend was in [naam district]p te werken, doet aan het voorgaande niet af. Appellant is aangewezen als speurhondgeleider en de Raad acht gedaagde niet gehouden om onderscheid te maken naar de specialisatie van de speurhond waarmee wordt gewerkt. Aan gedaagde kan niet de vrijheid worden ontzegd om speurhondgeleiders speurhonden toe te wijzen in die specialisatie waaraan op dat moment behoefte bestaat.

Voorts heeft gedaagde bij de plaatsing in het district Amsterdam rekening gehouden met appellants woonplaats [woonplaats], zodat hij niet gedwongen was te verhuizen. Tot slot is gebleken dat er een vacature voor speurhondgeleider openstond bij de Douane, district Amsterdam.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 juni 2001. De stelling van appellant dat dit niet het geval is, wordt dan ook verworpen.

4. Dat aan appellant de toezegging is gedaan, dat hij, indien de rechtbank hem in het gelijk zou stellen, in zijn oude functie in het district [naam district]p kon terugkeren, is de Raad voorts niet gebleken. Op grond van de in het dossier aanwezige stukken en de verklaringen van de getuigen ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is het bestaan van een bewuste en ondubbelzinnige toezegging omtrent de plaats van tewerkstelling niet aannemelijk geworden. Daarbij is van belang dat ten tijde van het gesprek het uitgangspunt van functionele mobiliteit nog onverkort overeind stond en geografische mobiliteit nog geen alternatief was. Het begrip "terugkeer naar de oude functie" moest in dat licht worden bezien. Wel is appellant toegezegd dat hij in zijn functie als speurhondgeleider zou kunnen terugkeren maar niet is gebleken dat appellant met zoveel woorden is toegezegd dat dit in zijn standplaats [naam district]p zou zijn. Dat bij appellant wel dit beeld is ontstaan, is vanuit zijn standpunt bezien wel te begrijpen, doch vindt objectief bezien onvoldoende steun in de feiten en kan er niet toe leiden dat sprake is van opgewekt vertrouwen dat door gedaagde gehonoreerd zou moeten worden.

5. Appellant acht tot slot het gelijkheidsbeginsel geschonden, aangezien hij de eerste en enige speurhondgeleider is en zal zijn, die is overgeplaatst zonder dat een overgangsmaatregel is getroffen en zonder dat er toetsing aan het nieuwe beleid heeft plaatsgevonden. Ook deze grief faalt. Ten tijde van het bestreden besluit voldeed appellant aan de toen geformuleerde en nadien in de Overgangsregeling vastgelegde criteria. Appellant had immers met (meer dan) twee speurhonden in hetzelfde district gewerkt en kon verplaatst worden naar een regio op reisafstand van zijn woonplaats waar bovendien, anders dan appellant stelt, een vacature voor de functie speurhondgeleider bestond, op welke functie appellant bij brief van

8 maart 2001 reeds was geattendeerd. Appellant was weliswaar de eerste speurhondgeleider die werd overgeplaatst, maar heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat andere speurhondgeleiders die in dezelfde situatie verkeerden anders zijn behandeld dan hij, nog daargelaten de gevolgen van de vorming van grotere regio's dan wel districten voor de uitvoering van het mobiliteitsbeleid.

6. Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

Q