Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
03/480 WAO, 03/481 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar ook gericht tegen terugvorderingsbesluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/480 WAO en 03/481 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellants besluit van 20 februari 2002 houdt in dat gedaagde, zolang nog niet vaststaat dat de door hem verrichte arbeid leidt tot herziening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer waarnaar aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, maar in verband met de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid die uitkering aan hem vanaf 10 september 2001 wordt uitbetaald als was hij ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 - 80%.

Appellants besluit van 11 maart 2002 houdt in dat van gedaagde wordt teruggevorderd een bedrag van € 2.572,53 onder overweging dat dat bedrag aan WAO-uitkering over de periode van 10 september 2001 tot en met 28 februari 2002 onverschuldigd aan hem is betaald.

Bij brief van 5 april 2002 heeft gedaagde een op 8 april 2002 bij appellant ingekomen bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft appellant dat bezwaarschrift aangemerkt als te zijn gericht tegen zijn besluit van 20 februari 2002 en vervolgens wegens onverschoonbare termijnoverschrijding (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 6 juni 2002 heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, namens gedaagde aan appellant medegedeeld dat evenvermeld bezwaarschrift mede was gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002.

Bij besluit van 25 juli 2002 heeft appellant geweigerd het bij brief van 5 april 2002 ingediende bezwaarschrift aan te merken als mede gericht tegen zijn terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002, de brief van 6 juni 2002 aangemerkt als tegen dat terugvorderingsbesluit gericht bezwaarschrift en vervolgens dat laatste bezwaarschrift evenzeer wegens onverschoonbare termijnoverschrijding (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen zowel het besluit van 23 mei 2002 als het besluit van 25 juli 2002 heeft

mr. Gloudi, voornoemd, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 19 december 2002, kenmerk AWB 02/623 en 02/920 WAO, heeft de rechtbank Zwolle het beroep tegen het besluit van 23 mei 2001 ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 25 juli 2002 gegrond verklaard, dat laatste met vernietiging van het besluit van 25 juli 2002, de opdracht een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van

11 maart 2002 te nemen, een proceskostenveroordeling en een last tot griffierechtvergoeding.

Tegen die uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift van 28 januari 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 17 februari 2003, ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2004. Partijen zijn niet verschenen, gedaagde met kennisgeving en appellant als gevolg van een stremming van het openbaar vervoer; appellant heeft achteraf te kennen gegeven dat hij ermee instemt dat de Raad zonder heropening van het onderzoek en zonder nieuwe zitting uitspraak doet.

II. MOTIVERING

Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank bij haar door appellant aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden heeft gevolgd het door (thans) gedaagde ingenomen standpunt dat het bezwaarschrift van 5 april 2002 mede was gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002.

De rechtbank heeft overwogen dat - nog afgezien van de sterke samenhang tussen de beide primaire besluiten - dat bezwaarschrift was gericht aan degene die uitsluitend in de aanhef van het besluit van 11 maart 2002 als contactpersoon is genoemd, dat in de aanhef van het besluit van 20 februari 2002 een ander als contactpersoon is genoemd, dat (thans) appellant daaruit had dienen te begrijpen dat gedaagde zich evenmin kan verenigen met het terugvorderingsbesluit van

11 maart 2002 en tot slot dat het op de weg van appellant had gelegen om, indien daarover onduidelijkheid had bestaan, gedaagde te vragen tegen welk(e) besluit(en) zijn bezwaarschrift was gericht.

Appellant heeft te dien aanzien aangevoerd dat er weliswaar een samenhang tussen de beide primaire besluiten bestaat - immers, het besluit van 20 februari 2002 is als zogeheten moeder-besluit een bestaansvoorwaarde voor het terugvorderingsbesluit van 11 maart 2002 -, maar dat in de brief van 5 april 2002 op geen enkele wijze wordt gerefereerd aan het besluit van 11 maart 2002, zodat niet is voldaan aan de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vermelde eis dat het bezwaarschrift ten minste (ook) een omschrijving bevat van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Gedaagde heeft, aldus voorts appellant, in die brief met zoveel woorden aangegeven dat hij het niet eens is met het afkeuringspercentage en dat hij graag zou willen dat appellant nog eens kijkt naar de voor hem als een totale verrasssing gekomen beoordeling van 10 september 2001 (de datum per welke gedaagde inkomsten is gaan verwerven). Dat gedaagde die brief heeft gericht aan een met name genoemde medewerkster, is volgens appellant niet verwonderlijk, omdat die persoon in het besluit van 11 maart 2002 met name is genoemd als degene met wie gedaagde contact kan opnemen, indien hij een betalingsregeling wil afspreken.

De Raad beantwoordt de dit geding beheersende vraag bevestigend onder overneming van de door de rechtbank gebezigde gronden. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

Niet ontkend kan worden dat gedaagde belang had en nog heeft bij een beoordeling - zij het thans nog slechts op eigen merites - van het terugvorderingsbesluit. Bij het schrijven van de brief van 5 april 2002 moet gedaagde het terug- vorderingsbesluit voor ogen hebben gehad. Immers, hij heeft die brief gericht aan appellant ter attentie van de uitsluitend in het terugvorderingsbesluit, zowel in de aanhef daarvan als contactpersoon als tegen het einde daarvan als degene met wie contact kan worden opgenomen voor het treffen van een betalingsregeling, met name genoemde medewerkster. Gegeven dat er een nauwe samenhang tussen de beide primaire besluiten bestaat, dat gedaagde binnen de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit per brief aan appellant heeft gereageerd en dat appellant bekend verondersteld moet zijn met het bestaan van het terugvorderingsbesluit, ligt het alles bijeen genomen in de rede om aan te nemen dat gedaagde bij die brief, ook al is daarin aan dat besluit niet met zoveel woorden gerefereerd en is daarbij niet een afschrift van dat besluit gevoegd, tevens het terugvorderingsbesluit als te bestrijden besluit voor ogen heeft gehad. Eventueel had appellant bij gedaagde nog navraag kunnen doen over wat hem met de brief van 5 april 2002 precies voor ogen heeft gestaan. Immers, anders dan ingeval van bij voorbeeld overschrijding van een fatale termijn, is een onvolkomenheid als hier aan de orde, nog herstelbaar. Een (ruimhartige) benadering als in dit geval door de rechtbank gevolgd, staat naar het oordeel van de Raad niet op gespannen voet met het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.

Uit het vorenstaande volgt dat dat aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat, voorts in aanmerking genomen dat geen aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, dient te worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) L. Savas.