Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
02/433 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdstip van ontvangst van bezwaarschrift dat niet per post, maar persoonlijk is bezorgd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 206
USZ 2004/181
JB 2004/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/433 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullendberoepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 13 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, zaaknummer:

AWB 01-1022 H V48 G127 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft P.W. Mooij, werkzaam voor Accountants Adviesgroep Mooij B.V., gevestigd te Heerhugowaard, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. C. Vork, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden besluit van 12 juni 2001 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het primaire besluit van 1 maart 2001 niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het bezwaar te laat is ingediend en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor gedaagde niet in de gelegenheid zou zijn geweest om tijdig bezwaar te maken. Op grond van het volgende is de Raad met de rechtbank van oordeel dat deze niet-ontvankelijkverklaring in rechte geen stand kan houden.

Naar ook in de aangevallen uitspraak is aangegeven - en overigens tussen partijen niet in geschil is - heeft de bezwaar- termijn van zes weken, als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een aanvang genomen op

2 maart 2001 en is hij geëindigd op 12 april 2001.

Gedaagde stelt het door hem op 12 april 2001 gedateerde bezwaarschrift op de avond van diezelfde dag - in elk geval voor 24.00 uur - persoonlijk ten kantore van appellant te hebben bezorgd. De brievenbus van het gebouw bleek toen defect, in verband waarmee gedaagde het bezwaarschrift, "door de glazen deur heeft gestoken". Het bezwaarschrift is aldus volgens gedaagde tijdig - want nog op de laatste dag van de bezwaartermijn - door appellant ontvangen.

Appellant gaat er daarentegen vanuit dat het bezwaarschrift, blijkens de daarop geplaatste stempel, eerst door hem is ontvangen op 17 april 2001. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat het Gak-gebouw van 13 april tot en met 16 april 2001 in verband met Goede Vrijdag en Pasen gesloten is geweest en het bezwaarschrift pas bij openstelling van het gebouw op 17 april 2001 door een medewerker is aangetroffen en toen ook is afgestempeld.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat, voor zover appellant de opvatting is toegedaan dat in een geval als het onderhavige, waarin een bezwaarschrift niet per post is verzonden maar persoonlijk ten kantore van het bestuursorgaan is bezorgd, eerst dan sprake is van een rechtens relevant te achten ontvangst van het bezwaarschrift, op het moment dat het feitelijk door appellant is ontvangen, hij zich met die opvatting niet kan verenigen. Indien, zoals ook de rechtbank met juistheid aangeeft, de bezwaarmaker aannemelijk maakt dat het bezwaarschrift op een eerder tijdstip ten kantore van gedaagde is bezorgd - door deponering in de brievenbus van het gebouw of - zoals in het onderhavige geval - op andere wijze, dan valt niet in te zien waarom dat tijdstip niet als tijdstip van ontvangst zou hebben te gelden.

Voorts overweegt de Raad dat aan appellant weliswaar kan worden toegegeven dat in het onderhavige geval niet onomstotelijk is komen vast te staan dat gedaagde het bezwaarschrift op de avond van 12 april 2001 bij het kantoor van appellant heeft bezorgd - dat is inherent aan de door gedaagde gekozen wijze van bezorging - maar dat hij anderzijds, met de rechtbank, van oordeel is dat de aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende aanknopingspunten bevatten om in dit geval genoegzaam aannemelijk te achten dat zulks wel is gebeurd. De Raad heeft hierbij in navolging van de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de consistente verklaringen van gedaagde zelf, de ondersteunende verklaring van een getuige alsmede op de omstandigheid dat gedaagde in het bezwaarschrift zelf al had aangekondigd het nog diezelfde avond persoonlijk bij appellant('s kantoor) te zullen bezorgen. In onderling verband beschouwd maken genoemde feiten en omstandigheden het relaas van gedaagde voldoende geloofwaardig.

De Raad concludeert aldus dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Draagt appellant op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde, met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2004.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) J.D. Streefkerk