Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
19-04-2004
Zaaknummer
02/2295 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidspatroon van vier dagen van 9 uur per week. Korting van verlofuren. Compensatieaanbod. Processueel belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2295 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 maart 2002, nr. 01/677 AW AG1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft verweerder schriftelijke inlichtingen verstrekt, waarop door appellante is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 februari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door [naam partner], partner van appellante. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Frijlink, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is werkzaam bij de Belastingdienst/Ondernemingen te Enschede in een arbeidspatroon van vier dagen van 9 uur per week, die structureel worden ingevuld op maandag tot en met donderdag. Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen de uit haar verlofpas voor 2001 blijkende korting van haar verlofuren voor dat jaar met 11 uren, heeft gedaagde bij besluit van 28 mei 2001 deze korting gemotiveerd. Hierbij is aangegeven dat de korting het gevolg is van appellantes arbeidspatroon, waardoor zij feitelijk als gevolg van niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen en de brugdag na Hemelvaartsdag minder arbeidsuren maakt dan met haar is overeengekomen. Bij het bestreden besluit van 18 juli 2001 heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante stelt zich op het standpunt dat de korting ten onrechte is opgelegd, omdat zij door de korting op haar verlof meer uren moet werken dan andere voltijders, die als gevolg van hun arbeidspatroon van vijf dagen van 8 uur per week voordeel hebben van het aanmerken van de vrijdag na Hemelvaartsdag als brugdag. Appellante heeft er voorts op gewezen dat de korting onredelijk is omdat zij als gevolg van overwerk in 2001 veel meer uren heeft gewerkt dan waartoe zij op basis van haar aanstelling gehouden was.

4. De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde appellante meermalen en ook hangende het beroep in eerste aanleg, als compensatie voor de korting, 11 verlofuren voor het jaar 2001 heeft aangeboden. De Raad is van oordeel dat gedaagde met dit aanbod, dat nadien ook is neergelegd in een besluit, ten materiële tegemoet is gekomen aan appellantes bezwaren. Gelet daarop heeft appellante geen belang meer bij een oordeel in dit concrete geschil. Dat appellante graag een principieel antwoord van de Raad wil op de door haar mede met het oog op andere gevallen geformuleerde rechtsvraag, is naar het oordeel van de Raad niet als voldoende procesbelang aan te merken. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Gezien het vorenoverwogene acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2004.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.