Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
19-04-2004
Zaaknummer
02/3423 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Totstandkoming van het besluit zonder horen in bezwaar over ingangsdatum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3423 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2002, nr. AWB 01/301 AW I, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is namens partijen over en weer een nadere reactie gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.W.F.M. Schmitz, advocaat te Maastricht, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. H. Reit, verbonden aan Adviesbureau Reit b.v., en ing. H.P.S. Ruber, werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Vanaf 1 oktober 1990 vervulde appellant de functie van hoofd Nautische Zaken bij de dienstkring Maastricht-Maas van de directie Limburg van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Zijn functie was ingedeeld in hoofdgroep III, niveaugroep c, correspon-derend met schaal 7, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984). Na veranderingen in de functie die verband hielden met een reorganisatie van genoemde dienstkring per 1 september 1993, bleef de bezoldiging ongewijzigd.

1.2. Op 27 maart 1996 heeft appellant het verzoek gedaan zijn functie te herwaarderen. Dit heeft geleid tot een primair besluit van gedaagde van 14 december 1999, waarbij de functie met ingang van 1 januari 1998 is ingedeeld in hoofdgroep III, niveaugroep d, corresponderend met schaal 8, van het BBRA 1984. Deze indeling was de resultante van de score, op basis van het functiewaarderingssysteem FUWASYS (versie 97.1), voor alle zogenoemde kenmerken van drie punten, behoudens voor de kenmerken "3.9. Kader" en 3.11. Kennis", waarvoor telkens twee punten zijn toegekend. Blijkens de toepasselijke Conversietabel FUWASYS correspondeert een somscore van 40 punten met schaal 8.

1.3. De Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF) heeft naar aanleiding van appellants bezwaar tegen die indeling geadviseerd ook voor de kenmerken kader en kennis beide een score van drie punten toe te kennen. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 26 januari 2001 de waardering in afwijking van het advies van de CABF gehandhaafd. Wel heeft hij de ingangsdatum nader vastgesteld op 1 april 1996.

2.1. Appellant heeft het besluit van 26 januari 2001 bij de rechtbank bestreden met de grieven dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat hij niet is gehoord met betrekking tot de ingangsdatum, dat de ingangsdatum 1 september 1993 behoort te zijn en dat de motivering van gedaagde om op de voormelde kenmerken af te wijken van het advies van de CABF het besluit niet kan dragen.

2.2. De rechtbank heeft die beroepsgronden verworpen. Na vooropstelling van de uit de rechtspraak van de Raad (verwezen is naar CRvB 26 februari 1998, TAR 1998, 74) blijkende terughoudende toetsingsmaatstaf in gevallen van functiewaarderingsbesluiten, acht zij de door gedaagde gegeven motivering deugdelijk en ziet zij daaraan het enkele feit dat de CABF een andere puntentoekenning heeft geadviseerd, niet afdoen. Zij acht appellant voorts niet benadeeld door de omstandigheid dat hij over de ingangsdatum niet is gehoord, nu alsnog voor de eerdere datum van 1 april 1996 is gekozen. Die datum komt de rechtbank tot slot juist voor in het licht van het verzoek van appellant van 27 maart 1996, terwijl de rechtbank van oordeel is dat appellant zich in deze procedure niet met succes kan beroepen op de wijzigingen van zijn functie in 1993.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald en, in het licht van de motivering van de rechtbank, nader onderbouwd.

4. Namens gedaagde is gesteld dat hij zich geheel kan vinden in de overwegingen en conclusies van de aangevallen uitspraak. Betoogd is dat de functie van appellant, vanwege het operationele karakter ervan, geen aanleiding geeft tot een indeling in hoofdgroep IV en "dus kan er ook geen sprake zijn van een toekenning van 3 punten voor het element kennis". Ter zitting is naar voren gebracht dat in het nieuwe systeem FUWASYS naast het stelsel van toe te kennen scores nog wel de zogeheten algemene karakteristieken zijn opgenomen. Getoetst zal dan ook moeten worden of de rekenkun-dige uitkomst van FUWASYS die leidt tot de hoofdgroep, in overeenstemming is met de definitie van de hoofdgroep in de algemene karakteristieken.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De totstandkoming van het besluit.

5.1.1. Namens gedaagde is erkend dat appellant ten onrechte niet is gehoord met betrekking tot zijn bezwaar tegen de ingangsdatum. In het advies van de CABF is daarover opgemerkt dat dit behoort tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag en niet ter beoordeling aan haar voorligt. Wat er zij van deze laatste taakopvatting van de CABF, de Raad moet vaststellen dat het bestreden besluit is tot stand gekomen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke schending blijkens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 23 december 1996, JB 1997, 28) niet kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van die wet.

5.2. De functiewaardering

5.2.1. In de door de rechtbank met juistheid vooropgestelde toetsingsmaatstaf wordt aan het bestuursorgaan bij het waarderen van functies een ruime mate van vrijheid gelaten. Dit neemt echter niet weg dat het bestuursorgaan de waardering dient te motiveren. Wordt de waardering in bezwaar met concrete argumenten bestreden, dan moet het bestuursorgaan ook concreet op die argumenten ingaan en zonodig de oorspronkelijk gegeven motivering aanvullen. Aan het nakomen van deze laatste plicht moeten hogere eisen worden gesteld indien een deskundige bezwaaradviescommissie gemotiveerd aangeeft waarom haars inziens een waarderingsbesluit niet ongewijzigd gehandhaafd kan worden.

5.2.2. In het onderhavige geval heeft de CABF - een op functiewaardering gespecialiseerde commissie - uitvoerig beargumenteerd waarom haars inziens voor de kenmerken kader en kennis beide een score van drie punten moet worden toegekend.

5.2.3. Daarop is in het bestreden besluit ten aanzien van het kenmerk kader weliswaar puntsgewijs gereageerd, maar van een weerlegging van de argumenten van de CABF is grotendeels geen sprake, terwijl een enkele reactie zelfs in strijd is met de tekst van de functiebeschrijving. Zo betwist gedaagde in het bestreden besluit dat tot de functie behoort het geven van adviezen aan gemeenten en provincie aangaande nautische zaken en wetgeving op scheepvaartgebied, terwijl deze taak letterlijk is opgenomen in onderdeel 3.4. van de functiebeschrijving. De Raad stelt vast dat gedaagde op dit onderdeel niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht.

5.2.4. Tot eenzelfde oordeel komt de Raad als het gaat om de weerlegging van het advies van de CABF ten aanzien van het kenmerk kennis. Niet wordt duidelijk gemaakt dat de werkzaamheden in de functie, gegeven opnieuw de beschrijving daarvan, uitgevoerd kunnen worden zonder dat beschikt wordt over algemeen theoretische en praktische kennis van het vakgebied, waarbij inzicht in organisatorische, technische en juridische samenhangen in relatie tot het eigen werkterrein wordt vereist.

5.2.5. Het namens gedaagde ter zitting gehouden betoog betreffende de betekenis van de zogenoemde algemene karakteristieken en de hoofdgroepindeling kan de Raad niet volgen. In de nota van toelichting bij het koninklijk besluit van 13 juni 1994, Stb. 452, tot wijziging van artikel 5 van het BBRA 1984 is weliswaar gesteld dat van het normerings-stelsel de algemene karakteristieken blijven deel uitmaken - en zij werden ook genoemd in het besluit van 24 augustus 1994, Stcrt. 165, waarbij het normeringsstelsel voor de eerste keer werd vastgesteld - , maar zij hebben, aldus die toelichting, een andere rol gekregen: ze maken deel uit van het voorbeeldmateriaal. Dit brengt reeds mee dat het meetsysteem prevaleert boven de mogelijkheid van verificatie, toelichting en verduide-lijking aan de hand van het voorbeeldmateriaal. Inmiddels, zo stelt de Raad vast, ontbreekt enige vermelding van of verwijzing naar de algemene karakteristieken in het Besluit Normeringsstelsel FUWASYS 1997 (Stcrt. 1998, 97).

5.2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden waarderingsbesluit in rechte geen stand kan houden. Waar een deugdelijk advies van de CABF voorhanden is en een overtuigende weerlegging van dat advies ontbreekt - die weerlegging was immers hoofdzakelijk beperkt tot een beroep op de meergenoemde algemene karakteristieken en berustte niet op een juiste toepassing van het meetsysteem - ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

5.3. De ingangsdatum.

5.3.1. De Raad volgt de rechtbank in haar overwegingen betreffende de datum met ingang waarvan volgens gedaagde de nieuwe functiewaardering van kracht is. Die datum was adequaat in het licht van de aanvraag van appellant van 27 maart 1996. Een verzoek om aan de beslissing terugwerkende kracht te geven, is niet gedaan. Het al dan niet horen van appellant in bezwaar kan daaraan niet afdoen.

6. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit moet worden vernietigd behoudens voorzover daarbij de ingangsdatum van de functiewaardering is bepaald op 1 april 1996 en dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit geheel in stand is gelaten, in zoverre moet worden vernietigd. De uitkomst van de functiewaar-dering wordt nader bepaald volgens een scoreprofiel van drie punten voor alle kenmerken, met een scoretotaal van 42 punten. Dit leidt tot het indelingsniveau IVb, salarisschaal 9.

7. De Raad vindt in het vorenstaande aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit, behoudens ten aanzien van de datum van ingang van de door appellant bestreden functiewaardering;

Stelt de waardering van de in geding zijnde functie van hoofd Nautische Zaken vast als onder 6. is uiteengezet en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.