Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
02/1887 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval militair. Is het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1887 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 februari 2002, nr. 01/2074 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 februari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Gijzen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Blijkens proces-verbaal van 23 oktober 1995 heeft appellante, kort na haar opkomst als beroepssoldaat, na het doen van een grondoefening tijdens velddienst op een bivakterrein een stekende pijn in haar rug gevoeld. Door een gewondenverzorger is de rug ingesmeerd met een soort tijgerbalsem. Vervolgens heeft appellante een tentje opgezet, waarbij de rug "verder opspeelde".

De volgende ochtend heeft een militaire arts appellante op het bivak onderzocht en haar naar de kazerne gestuurd voor nader onderzoek, hetgeen resulteerde in bedrust. Er was sprake van lumbago met radiculaire uitstraling.

1.2. Nadat appellante in de eerste week van oktober 1995 weer dienst had gedaan met een zogenoemde mutatie voor sport, marsen, exercitie en velddienst (mutatie SMEV), heeft zij zich na een mars op 10 oktober 1995 weer met klachten gemeld. Zij kreeg opnieuw de mutatie SMEV.

Vervolgens is zij nader onderzocht en behandeld en is de diagnose hernia vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 19 december 1995 is het appellante op 26 september 1995 overkomen ongeval aangemerkt als dienstongeval.

1.4. Na een goed verlopen hernia-operatie in het Centraal militair hospitaal (CMH) op 8 februari 1996 heeft appellante op

1 april 1996 haar dienst voor hele dagen moeten hervatten. Ze werd geplaatst bij het zogenoemde remedial peloton. Al spoedig ondervond appellante weer last van benen en rug en volgde een mutatie 'vrijgesteld van rugbelasting'. Op 1 mei 1996 werd op doktersvoorschrift een plank onder haar matras gelegd. Nadat appellante op 7 mei 1996 een consult had gehad bij haar onderdeelsarts R. Alsema moest zij op 9 mei 1996 de gehele dag en een deel van de avond deelnemen aan een oefening in het zogeheten ACB-dorp. De dag erna was ze niet in staat uit bed te komen en vervolgens is zij weer onderzocht en behandeld, onder meer in het Militair Revalidatie Centrum te Doorn. Nadat appellante nog kort is teruggekeerd en voor halve dagen dienst heeft gedaan, is zij uiteindelijk onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek dat heeft geresulteerd in een ontslag uit hoofde van een ziekte of gebrek, zulks met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, met ingang van 25 juli 1999.

1.5. Op 12 mei 1999 heeft appellante gedaagde aansprakelijk gesteld voor het ontstaan en verergeren van haar medische klachten en heeft zij om vergoeding gevraagd van de, nog nader vast te stellen, schade.

1.6. Bij primair besluit van 16 augustus 1999 is het verzoek om schadevergoeding afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij bestreden besluit van 1 mei 2001.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat bij de door appellante aan haar verzoek ten grondslag gelegde voorvallen van 26 september 1995 en 9 mei 1996 geen sprake is geweest van een verwijtbaar tekortschietende zorg van gedaagde jegens appellante. De rechtbank heeft zich hierbij gericht naar de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, TAR 2000, 112.

Omdat voorts naar het oordeel van de rechtbank gedragingen van door appellante genoemde ondergeschikten van gedaagde niet tot het ontstaan of het verergeren van medische klachten van appellante hebben bijgedragen, leidt ook toetsing van het bestreden besluit aan de in de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2001, TAR 2002, 21, vervatte norm niet tot een vernietiging van dat besluit.

3. Namens appellante is gesteld dat gedaagde op meerdere momenten niet heeft voldaan aan zijn (zorg)verplichtingen.

Met een beroep op het rapport van de door haar geraadpleegde deskundige drs. R. Westerweel betoogt appellante dat zij op 26 september 1995 onmiddellijk uit de oefening gehaald had moeten worden voor raadpleging van een arts. Voorts had zij op 10 oktober 1995 niet zonder voorafgaand medisch onderzoek aan de mars mogen deelnemen.

Met betrekking tot april / mei 1996 heeft appellante benadrukt dat zij ten onrechte gedwongen is geweest, zonder de mogelijkheid van rust, voor hele dagen te hervatten. Gewezen is op twee brieven van de neurochirurg van het

CMH dr. J.W. Berkelbach van de Sprenkel waaruit blijkt dat appellante "door een fout in de communicatie" direct maximaal is ingezet. De neuroloog heeft de verklaring over deze fout vervolgd met de mededeling: "Dit heeft er toe geleid dat ze opnieuw een pseudoradiculair beeld ontwikkelde met uitstraling in de benen." Daarmee is volgens appellante de causale relatie alsmede de fout en het onzorgvuldig handelen een gegeven. Het moet voor risico van gedaagde blijven dat een deel van het medisch dossier zoek is en mocht twijfel bestaan dan dient onder deze omstandigheden te worden aangenomen dat appellante tengevolge van de miscommunicatie schade heeft opgelopen.

4. Namens gedaagde is betoogd dat bij geen van de vier in geding zijnde meetmomenten sprake is geweest van aan gedaagde verwijtbaar onzorgvuldig handelen.

Ten aanzien van het dienstongeval van 26 september 1995 is gewezen op de door appellante kenbaar gemaakte klachten, die bepaald niet te duiden waren als herniaklachten.

Met betrekking tot de mars van 10 oktober 1995 is gewezen op de eigen verantwoor-delijheid van de militair voor het verkrijgen of verlengen van een mutatie SMEV.

Betwist wordt dat appellante in april 1996 direct maximaal is ingezet. Zij is niet opnieuw gewoon in de opleiding teruggeplaatst, maar juist onder toezicht van (para)medici in een speciaal programma in het remedial peloton geplaatst. De brief van de neurochirurg en het vermeende causale verband komen daarmee in een heel ander daglicht te staan, aldus gedaagde.

De deelname aan het ACB-dorp in mei 1996 vergde geen rugbelastende werkzaamheden, zodat ook hier niet van schending van zorgplicht of onrechtmatig handelen gesproken kan worden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hij stelt voorop dat de rechtbank bij de toetsing van het hier aan de orde zijnde zuivere schadebesluit de juiste normen heeft gehanteerd. De Raad volstaat met verwijzing naar zijn beide onder 2. vermelde uitspraken.

5.2. De Raad kan de rechtbank en gedaagde volgen in hun standpunten over het gebeuren op 26 september 1995. Uitgaande van de gegevens die in het proces-verbaal zijn vermeld, is ook de Raad van oordeel dat de door appellante geuite rugklachten niet zodanig waren dat het de gewondenverzorger of het aanwezige kader verweten kan worden dat zij appellante niet onmiddellijk hebben doorverwezen naar een arts en haar hebben laten meedoen aan de oefening. Ook de in het dossier aanwezige dagboekaantekeningen van appellante werpen geen wezenlijk ander licht op die feiten. Een ongeoorloofde druk of dwang om aan het bivak te blijven deelnemen terwijl duidelijk zou zijn dat de gezond-heidstoestand die deelname niet toeliet, is niet aannemelijk gemaakt.

De afwijzing van het verzoek om schade te vergoeden die een gevolg is van de gebeurtenis op 26 september 1995, houdt daarom stand.

5.3. De Raad kan gedaagde eveneens volgen in zijn opvatting dat het op de weg van appellante had gelegen ten aanzien van de mars op 10 oktober 1995 zelf de nodige actie te ondernemen. Vastgesteld moet worden dat appellante niet naar een arts is gegaan en zich evenmin heeft beklaagd over de opdracht tot deelname aan die mars. Er is hier geen sprake van onzorg- vuldig of anderszins verwijtbaar handelen aan de zijde van gedaagde, zodat ook in zoverre de afwijzing door gedaagde van het verzoek om schadevergoeding standhoudt.

5.4.1. Aan gedaagde kan naar het oordeel van de Raad wel worden verweten dat niet voldoende zorgvuldig is gehandeld bij de opdracht aan appellante tot hervatting in april 1996 en bij de opdracht aan haar om op 9 mei 1996 deel te nemen aan de oefening in het ACB-dorp.

5.4.2. De Raad stelt vast dat de neurochirurg dr. Berkelbach van de Sprenkel in de onder 3. vermelde verklaring duidelijk is over een communicatiefout aan de zijde van gedaagde en dat deze arts tussen die fout en de klachten van appellante betreffende een pseudoradiculair beeld met uitstraling in de benen, causaal verband ziet. Ten aanzien van een eventueel opnieuw hervatten stelt de neurochirurg dat hij te allen tijde adviseert dat zij met halve dagen begint en niet meteen totaal. De Raad ziet in deze formuleringen van de deskundige van gedaagde een duidelijk aanknopingspunt voor het oordeel dat het onjuist is geweest appellante in april 1996 voor hele dagen te laten hervatten, ook in de setting van het remedial peloton, en dat het ook onjuist is geweest appellante op 9 mei 1996 te laten deelnemen aan de oefening in het ACB-dorp, die zelfs meer dan een hele werkdag duurde.

5.4.3. Hetgeen de toenmalige onderdeelsarts Alsema over de medische consulten van appellante in zijn brief van 8 juni 2000 heeft verklaard, kan hieraan niet afdoen. Deze stelt weliswaar dat hij aan de gegevens in het GDBK-computersysteem

- de zogenoemde groene kaart en andere bewijsstukken zijn onvindbaar gebleven - over het consult van 7 mei 1996 ontleent dat appellante toen als hoofdklacht keelklachten had, maar hij vermeldt uit dat systeem, naast de diagnose pharyngitis, voorts: "Tevens geringe paraesthesieen linker-been; tevens uitslag neurologie-consult besproken: pseusoradiculair syndroom bij status HNP L4-5 operatie. Verwijzing MRC Doorn voor verdere revalidatie (consult door ondergetekende)". Dit geeft steun aan de verklaring van de neurochirurg.

Aan laatstbedoelde verklaring wordt ook niet afgedaan door de omstandigheid dat de medisch adviseur van gedaagde

H.A.J. Smink zich heeft afgevraagd "of dit zo genomen moet worden dat betrokkene meteen aan zodanig zware lichamelijke belasting is blootgesteld dat dit wel tot klachten moest leiden". Enige onderbouwde weerlegging van de opvatting van de neurochirurg wordt door die adviseur immers niet gegeven.

5.4.4. De Raad kan aldus slechts concluderen dat er sprake is van een aan gedaagde toe te rekenen communicatiefout en een in het licht daarvan onterecht gegeven opdracht aan appellante tot hervatting voor hele dagen in april 1996 en tot deelname gedurende (meer dan) een hele dag aan de oefening in het ACB-dorp op 9 mei 1996.

6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Ten onrechte is daarbij het verzoek afgewezen om schade te vergoeden die een gevolg is van de aan appellante gegeven opdracht om direct voor hele dagen te hervatten in het remedial peloton in april 1996 en van de opdracht om op 9 mei 1996 deel te nemen aan het ACB-dorp. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7. De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 9,96 aan reiskosten en van € 644,- aan kosten van juridische bijstand, van € 15,66 aan reiskosten en van € 644,- aan kosten van juridische bijstand in hoger beroep en van € 284,05 aan kosten van het ten behoeve van haar opgestelde rapport door drs. R. Westerweel, in totaal € 1.597,67.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 1 mei 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.597,67, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Pijper.