Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2004
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
01/5055 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdige aanvraag tegemoetkoming in de ziektekosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5055 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats], appellanten,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

[betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 augustus 2001, nr. AWB 00/893 AW VO2, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 februari 2004, waar appellanten niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. de Roo, werkzaam bij KPMG FlexSourcing B.V.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene had laatstelijk over de periode van 1 april 1997 tot en met 31 maart 1998 een tegemoetkoming in ziektekosten ontvangen op grond van de Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekpersoneel (hierna: Regeling Zvoo).Voorafgaand had hij dergelijke tegemoetkomingen ontvangen op grond van de direct aan de Regeling Zvoo voorafgaande Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (hierna: Z.v.o.-regeling).

1.2. Op zijn verzoek is betrokkene bij brief van 16 december 1999 een formulier toegezonden om een volgende aanvraag om een tegemoetkoming in ziektekosten op grond van de Regeling Zvoo te doen. Op het formulier was reeds de aanvraag- periode ingevuld, te weten van 1 november 1998 tot en met 31 oktober 1999. In de brief is betrokkene medegedeeld dat het niet meer mogelijk was een aanvraag te doen over de periode van april 1998 tot en met maart 1999.

1.3. Bij beschikking van 24 maart 2000 is betrokkene een tegemoetkoming toegekend over de periode van 1 november 1998 tot en met 31 oktober 1999.

1.4. Betrokkene heeft op 4 april 2000 bezwaar gemaakt tegen de gehanteerde periode. Hij heeft gesteld dat het hem in verband met de op hem rustende taak van verzorging van zijn zieke echtgenote niet goed mogelijk was geweest eerder een aanvraag te doen over de - aansluitende - periode van 1 april 1998 tot en met 31 maart 1999. Bij beslissing van 28 juli 2000 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.1. De rechtbank, die als verwerende partij heeft aangemerkt "de minister van Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd door de Dienst Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel", heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard. Zij heeft het besluit van gedaagde van 24 maart 2000 vernietigd. Voorts heeft zij een bepaling gegeven over de vergoeding van griffierecht.

1.5.2. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 8, vierde lid, van de Regeling Zvoo betreffende de aanvraagperiode een dwingendrechtelijk karakter heeft en dat in de situatie van betrokkene geen sprake was van een absolute onmogelijkheid om de aanvraag over het tijdvak van 1 april 1998 tot en met 31 maart 1999 tijdig in te dienen, in welk geval gedaagde bereid zou zijn geweest af te wijken van de voorgeschreven termijn. Overwogen is dat de verzorging van zijn echtgenote betrokkene niet heeft behoeven te beletten tijdig een aanvraagformulier in te vullen of te laten invullen.

De gegrondverklaring is gebaseerd op de overweging dat het aanvraagtijdvak wel iets eerder had kunnen aanvangen, namelijk drie maanden voor de datum van inzending van de aanvraag.

2. Appellant heeft betwist dat de bepaling van artikel 8 van de Regeling Zvoo betreffende de aanvraagperiode een dwingendrechtelijk karakter heeft en dat het begrip "absolute onmogelijkheid" te eng geïnterpreteerd is.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Hij neemt in de eerste plaats aan dat de rechtbank bij vergissing niet het juiste bestuursorgaan als verwerende partij in haar uitspraak heeft vermeld. Onmiskenbaar is immers zowel het besluit van 24 maart 2000 als het besluit van 28 juli 2000 genomen namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De Raad heeft dan ook dit bestuursorgaan (met zijn bij koninklijk besluit van 30 september 2003, Stcrt. 189, gewijzigde naam) als gedaagde partij vermeld.

3.2. De rechtbank heeft voorts ten onrechte als bestreden besluit in het dictum van haar uitspraak aangemerkt het besluit van 24 maart 2000. Dat was immers de primaire beslissing op het door betrokkene ingezonden aanvraagformulier. Na bezwaar tegen die beslissing heeft gedaagde het besluit op bezwaar van 28 juli 2000 genomen en tegen dat besluit heeft betrokkene beroep ingesteld. In de aangevallen uitspraak moet het besluit van 28 juli 2000 dan ook worden gelezen als het bestreden besluit.

3.3. De Raad kan gedaagde volgen in de opvatting, zoals namens hem ter zitting nader uiteengezet, dat de beslissing op de aanvraag van betrokkene in dit geval, gelet op de onder 1.2. vermelde brief van gedaagde van 16 december 1999, niet alleen de toekenning bevat van een tegemoetkoming over de periode van 1 november 1998 tot en met 31 oktober 1999, maar tevens de impliciete weigering om over het tijdvak van 1 april 1998 tot en met 31 maart 1999 een tegemoetkoming toe te kennen.

3.4. Die weigering berust op goede gronden. De Raad kan zich vinden in de onder 1.5.2. weergegeven overwegingen van de rechtbank over het dwingendrechtelijk karakter van artikel 8, vierde lid, van de Regeling Zvoo. Dit is in lijn met de vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 6 januari 1995, TAR 1995, 86) over de gelijkluidende bepaling van artikel 8, vierde lid, van de Z.v.o.-regeling. Hij deelt voorts de opvatting van de rechtbank en van gedaagde dat betrokkene niet in de absolute onmogelijkheid heeft verkeerd om tijdig een aanvraag te doen over de door hem gewenste periode.

4. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met dien verstande dat in plaats van "24 maart 2000" wordt gelezen: 28 juli 2000.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat in plaats van "24 maart 2000" wordt gelezen: 28 juli 2000.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Pijper.