Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
03/2167 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte. Onderzoek naar herplaatsing binnen de organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2167 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 maart 2003, nr. AWB 2002/1089 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 februari 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. A.G. Kerkhof, verbonden aan CAPRA en W.H. Heldens, werkzaam bij de gemeente Horst aan de Maas. Gedaagde is, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreider overzicht van de voor dit geding relevante gegevens volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Gedaagde was werkzaam als systeembeheerder bij de toenmalige gemeente Horst, thans de gemeente Horst aan de Maas. Op 26 oktober 1998 is gedaagde voor dat werk uitgevallen ten gevolge van een burnout. Er zijn diverse pogingen ondernomen gedaagde in haar eigen functie te reïntegreren. Bij besluit van 23 mei 2000 is aan gedaagde met ingang van 25 oktober 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze uitkering is bij besluit van 27 april 2001 ongewijzigd voortgezet.

1.2. Bij besluit van 26 september 2001 is aan gedaagde met toepassing van artikel 8:5 van de CAR/UWO per 1 oktober 2001 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking wegens ziekte. Appellant heeft daarbij overwogen dat hij voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht die voldoen aan de eisen die daaraan in redelijkheid gesteld kunnen worden. Appellant heeft daarbij gerefereerd aan het functieongeschiktheidsadvies van het USZO van 28 augustus 2001 waarin de arbeidsdeskundige heeft gesteld dat appellant, zowel in het eerste jaar na aanvang van de ziekte als gedurende het tweede jaar, heeft voldaan aan zijn verplichting om herplaatsingsmogelijkheden te onderzoeken.

1.3. Naar aanleiding van gedaagdes bezwaar tegen dit besluit heeft de bedrijfsarts desgevraagd schriftelijk zijn mening gegeven over het reïntegratieproces van gedaagde. Voorts heeft de arbeidsdeskundige van het USZO, op verzoek van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften, een nader telefonisch advies uitgebracht.

1.4. Appellant heeft, onder overneming van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, het ontslagbesluit bij beslissing op bezwaar van 12 september 2002 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen laatstgenoemd besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank was van oordeel dat appellant ingevolge de in artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO dwingend geformuleerde verplichting gehouden was om zorgvuldig te onderzoeken of herplaatsing in een andere functie mogelijk was en dat appellant dit ten onrechte had nagelaten.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd. Naar de mening van appellant kon niet verwacht worden dat hij zou onderzoeken of gedaagde binnen de organisatie in een andere functie plaatsbaar was, omdat dit naar het oordeel van de bedrijfsarts vanuit medisch oogpunt ongewenst was. Appellant stelt dat hij een dergelijk oordeel niet naast zich neer kan leggen omdat hij daarmee het risico neemt schade toe te brengen aan de gezondheid van gedaagde. Daarbij wijst appellant op het feit dat gedaagde zelf geen enkele belangstelling heeft getoond voor een ander functie binnen de organisatie.

4. Gedaagde heeft de grieven gemotiveerd bestreden. Voorts heeft gedaagde, onder verwijzing naar een uitspraak van deze Raad van 27 maart 2003, RSV 2003/146, aangevoerd dat appellant niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat gedaagde in dienst was van de gemeente Horst aan de Maas en niet van appellant. Appellant was derhalve niet bevoegd om ten aanzien van gedaagde besluiten te nemen, tenzij zou blijken van een aan appellant gedelegeerde bevoegdheid.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad stelt voorop dat op grond van artikel 8:5, eerste lid, in samenhang met artikel 2:1 van de CAR/UWO, aan appellant, als het tot aanstelling bevoegde gezag, de bevoegdheid toekomt een ambtenaar als gedaagde te ontslaan.

De Raad begrijpt de grief van gedaagde voorts aldus dat appellant niet gerechtigd zou zijn om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Dienaangaande merkt de Raad op dat het besluit dat door de rechtbank is vernietigd een besluit is dat door appellant als bestuursorgaan is genomen. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet komt derhalve aan appellant als bestuursorgaan de bevoegdheid toe om tegen die uitspraak bij de Raad hoger beroep in te stellen.

5.2. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de CAR/UWO kan aan een ambtenaar eervol ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. In het tweede lid van dit artikel is het volgende bepaald:

"Een ontslag als bedoeld in lid 1 mag slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van

24 maanden;

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van 6 maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten;

c. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen, dan wel indien de ambtenaar zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden".

5.3. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of aan het vereiste in artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO is voldaan en, zo ja, of gedaagde in dat geval in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.

5.4. Zoals de Raad reeds eerder in een soortgelijk geval heeft overwogen (CRvB 13 september 2001, TAR 2001, 157) dient, mede gezien de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, een dergelijke bepaling door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht te worden genomen. Bij de vraag of al dan niet andere arbeid dient te worden opgedragen acht de Raad de houding van de betrokken ambtenaar niet doorslaggevend.

5.5. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in het geheel niet heeft onderzocht of gedaagde bij de gemeente gangbare arbeid op te dragen was. Volgens appellant werd een andere functie binnen de gemeente door de bedrijfsarts afgeraden. Bovendien had gedaagde er volgens appellant belang bij dat het dienstverband verbroken werd, omdat dit voor gedaagde in figuurlijke zin gold als een bevrijding.

5.6. Nog daargelaten dat gedaagde zich zowel tijdens het voornemen tot ontslag als in bezwaar uitdrukkelijk op deze verplichting van appellant heeft beroepen, ziet de Raad aan de onderzoeksverplichting van appellant evenwel niet afdoen dat gedaagde meer zou zijn gericht op beëindiging van het dienstverband dan op reïntegratie binnen de organisatie in andere arbeid. Appellant heeft telkenmale volstaan met de vaststelling dat, gelet op het advies van de bedrijfsarts, het herplaats- ingsonderzoek niet van hem gevergd kon worden. De Raad kan in het advies van de bedrijfsarts echter niet lezen dat herplaatsing van gedaagde bij de gemeente medisch gecontra-indiceerd was. De bedrijfsarts heeft in 1999 vastgesteld dat de angst bij gedaagde om haar werk en haar werkgever te verliezen zo ernstig was dat reïntegratie in ander werk niet bespreekbaar was. Voorts heeft hij na een hernieuwde uitval eind 2000 niet de verwachting gehad dat gedaagde op afzienbare termijn weer inzetbaar zou zijn en heeft haar behandelaar bevestigd dat dit voor alle gangbare arbeid zou gelden. Dit neemt echter niet weg dat op 16 mei 2001, het moment waarop appellant voornemens was gedaagde te ontslaan, appellant er van op de hoogte was dat gedaagde een WAO-uitkering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, omdat zij in staat werd geacht niet stresserend werk te verrichten. Dat toentertijd een uitdrukkelijke medische contra-indicatie bestond voor ander werk bij de gemeente heeft appellant niet aangetoond. Temeer nu gedaagde op het moment dat zij wist dat ze haar eigen werk zou verliezen heeft aangegeven dat zij openstond voor een herplaats- ingsonderzoek, had het op de weg van appellant gelegen om te voldoen aan de op hem rustende verplichting tot het verrichten van onderzoek naar ander werk bij de gemeente.

6. Gezien het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat gedaagde in strijd met artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO aan gedaagde ontslag heeft verleend. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, waarbij de Raad zal bepalen dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7. De Raad ziet aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 322,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de gemeente Horst aan de Maas;

Bepaalt dat van de gemeente Horst aan de Maas een griffierecht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.