Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO7394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2004
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
01/4477 NABW + 01/4479 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand in de kosten van een verhuizing op medische indicatie en voor inrichtingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 162
Gst. 2004, 173 met annotatie van H. van Deutekom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4477 NABW

01/4479 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellant 2], wonende te Geleen, appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen Born, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gevolg van gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Geleen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geleen.

Namens appellanten heeft mr. H.E.G. Peters, advocaat te Geleen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 5 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 99/1736 NABW I, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2004, waar appellanten en hun gemachtigde niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.M. Hellenbrand, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen Born.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellanten als eisers zijn aangeduid, en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

" Eisers hebben zich op 20 mei 1999 tot verweerder gewend met het verzoek om toekenning van bijzondere bijstand in de kosten van een verhuizing op medische indicatie en voor inrichtingskosten ad plusminus f 10.000,--.

Blijkens een advies van de GGD westelijke mijnstreek van 2 juni 1998 is "verhuizen naar een eengezinswoning dringend gewenst i.v.m. de gezondheid van de jongste zoon".

Bij besluit van 13 augustus 1999, verzonden op 16 augustus daaraanvolgend, is eisers aanvraag voor wat betreft de verhuiskosten afgewezen omdat verhuiskosten algemene noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. De inrichtingskosten worden vergoed tot een hoogte ad f 1.527,00.

Hiertegen is namens eisers een bezwaarschrift ingediend.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar - onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van verweerders gemeente - van eisers ontvankelijk en ongegrond verklaard.

Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de verhuizing in strikte zin niet noodzakelijk was en dat de daaruit voortvloeiende kosten om die reden niet aan te merken zijn als noodzakelijke kosten van het bestaan.

De primaire weigeringsgrond is evenwel - aldus verweerder - dat de kosten van een verhuizing en herinrichting van de woning aangemerkt worden als incidenteel voorkomende kosten van het bestaan die uit het eigen inkomen moeten worden betaald via reservering. Een uitzondering is de situatie waarin betrokkene binnen een kort tijdbestek ( vijf jaren) noodgedwongen voor de tweede maal moet verhuizen.

In casu wonen eisers en hun gezin al langer dan vijf jaar op hetzelfde adres en zijn er ook voor het overige geen bijzondere omstandigheden waardoor het uitgesloten is dat de kosten uit het eigen inkomen betaald moeten worden.".

Gedaagde heeft het namens appellanten gemaakte bezwaar bij besluit van 9 november 1999 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst ambtshalve vast dat tijdens de behandeling van de zitting in eerste aanleg op 19 juni 2001, alwaar partijen beide zijn verschenen, is afgesproken dat gedaagde nog de in casu van belang zijnde beleidsregels kon inzenden. Vervolgens is het onderzoek in de zaak gesloten.

Voornoemde beleidsregels zijn bij brief van 25 juni 2001 aan de rechtbank toegezonden. Vervolgens heeft de rechtbank op 5 juli 2001 de thans aangevallen uitspraak gewezen. De rechtbank heeft het onderzoek niet heropend, geen nadere zitting gehouden en partijen geen toestemming gevraagd om een voortgezette behandeling van het geding ter zitting van de rechtbank achterwege te laten.

De Raad is van oordeel dat de behandeling van het geding in eerste aanleg, zoals hierboven beschreven, zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 8:64, derde en vijfde lid, alsmede artikel 8:65, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad leidt uit deze artikelen af, dat indien de rechtbank in het verhandelde ter zitting aanleiding vindt om een partij in de gelegenheid te stellen nadere gedingstukken in te zenden, zij het onderzoek dient te heropenen. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, een nieuw gedingstuk is ingezonden, dient het onderzoek ter nadere zitting van de rechtbank te worden hervat, tenzij partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van de nadere zitting.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet op de juiste wijze tot stand is gekomen, zodat deze dient te worden vernietigd.

De Raad dient zich vervolgens te beraden over de vraag of de zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de rechtbank.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht de Raad nader onderzoek niet noodzakelijk, zodat de zaak niet behoeft te worden teruggewezen naar de rechtbank.

De Raad overweegt voorts het volgende.

In artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw is bepaald, dat onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Volgens vaste rechtspraak worden de kosten voor woninginrichting tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door reservering vooraf, en indien dit niet is geschied, door gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die er toe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Een medische indicatie voor verhuizing vormt op zichzelf niet voldoende aanleiding om bijzondere omstandigheden aanwezig te achten.

Bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat bijzondere bijstand voor verhuis- en herinrichtingskosten te verstrekken, voerde gedaagde ten tijde hier in geding het beleid, dat bij een verhuizing binnen een tijdvak van vijf jaar na een eerdere verhuizing uitgegaan wordt van de fictie dat het aan reserveringsruimte voor (plotseling opkomende) kosten heeft ontbroken. In die gevallen wordt zonder meer aangenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld.

De Raad is van oordeel dat gedaagde appellanten, gezien de situatie waarin zij zich bevonden, terecht niet tot de doelgroep waarop evengenoemde beleidsregels zien, heeft gerekend, appellanten woonden immers sedert 1993 op het oude adres [adres te woonplaats] en hebben zich op 12 februari 1998 ingeschreven als woningzoekenden voor een grotere woning bij de Woningstichting Geleen (WSG), waarna in 1999 de verhuizing volgde. De verhuizing vond derhalve niet binnen vijf jaar na de vorige verhuizing plaats, terwijl bovendien voor appellanten vanaf februari 1998 voorzienbaar was dat zij voor verhuis- en herinrichtingskosten zouden komen te staan en ook geruime tijd in de gelegenheid zijn geweest hiervoor te reserveren. Verder is niet gebleken dat het afsluiten van een lening hiervoor niet mogelijk was.

Wat betreft de kosten van Novilon merkt de Raad op dat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand bestaat, reeds omdat die kosten niet gemaakt zijn.

Ook hetgeen namens appellanten overigens naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat de aanvraag van appellanten om bijzondere bijstand in de onderhavige kosten ten onrechte is afgewezen.

Hieruit volgt dat bestreden besluit in rechte stand houdt en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2004.

(get.) B.J. van der Net

(get.) P.C. de Wit