Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
01/2850 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is bij de voorbereiding van onderhavig WAO-besluit niet gehandeld in overeenstemming met artikel 51, eerste lid, van EG-Verordening 574/72?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/130 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2850 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Denemarken), appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.

Namens appellante heeft mr. S.R. van Dijk, advocaat te Lemmer, op daartoe bij beroepschrift en bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2001, nummer AWB 00/2209 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Voorts heeft gedaagde op verzoek van de Raad nog enkele stukken in het geding gebracht.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 januari 2004, waar partijen -met kennisgeving- niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante, geboren op 18 oktober 1951, is werkzaam geweest als sigarenmaakster. Nadat zij deze werkzaamheden ingaande 28 augustus 1967 had gestaakt heeft gedaagde met ingang van 10 september 1968 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedert medio 1993 woont appellante met toestemming van gedaagde in Denemarken.

Bij besluit van 22 juli 1994 heeft gedaagde de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 13 januari 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit is bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juni 1996 vernietigd, omdat bij de voorbereiding van dat besluit niet was gehandeld in overeenstemming met artikel 51, eerste lid, van EG-Verordening 574/72 (hierna: de Verordening). Op grond van deze bepaling en op grond van het arrest van het Hof van Justitie EG van 27 juni 1991 in de zaak C-344/89 (Martinez Vidal,

RSV 1991/258) had naar het oordeel van de rechtbank eerst een medische controle door het Deense orgaan, zijnde het orgaan van de woonplaats van appellante, moeten plaatsvinden. Gedaagde heeft berust in deze uitspraak en heeft vervolgens een medisch onderzoek laten verrichten in Denemarken.

In zijn rapport van 8 januari 1997 heeft de Deense orthopeed Kurt H.D. Lund, als diagnose gesteld: "Bandschijfvernauwing in thoracolumbale wervelkolom. Operatieve samenvoeging van lendewervel met het os sacrum na aangeboren verschuiving van het wervellichaam." Voorts heeft deze arts medegedeeld dat het arbeidsvermogen van appellante, als in de landbouw meewerkende huisvrouw, naar de gebruikelijke Deense maatstaven voor de helft verminderd moet worden beschouwd, indien zij geen volledige kostwinner is en voor tweederde indien zij wel volledig kostwinner zou zijn. Na kennisneming van dit rapport heeft gedaagdes verzekeringsarts geconcludeerd dat het in 1994 vastgestelde belastbaarheidspatroon onveranderd van kracht is. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die belastbaarheid sprake is van geschiktheid tot het verrichten van een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 17,5%.

Bij besluit van 23 oktober 1997 heeft gedaagde de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van

6 april 1998 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 7 augustus 1998 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is door gedaagde met name verwezen naar een door ZVN Advies uitgebracht rapport van

21 april 1998, waarin wordt geconcludeerd dat er geen essentieel nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen op basis waarvan de vastgestelde belastbaarheid zou moeten worden herzien. Verder is in dit rapport vastgesteld dat het dagverhaal van appellante de visie ondersteunt dat er sprake is van restcapaciteit.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, overwegende dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 51 van de Verordening niet volgt dat het oordeel van de Deense arts over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante overgenomen moet worden. Ten slotte heeft de rechtbank geconcludeerd dat ten aanzien van de aan appellante voorgehouden functie van samenstelster onvoldoende is gemotiveerd waarom die functie ondanks een markering, toch passend kan worden geacht. De resterende (drie) functies zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de schatting op te kunnen baseren.

In hoger beroep is namens appellante -kort samengevat- aangevoerd, dat uit artikel 51 van de Verordening en uit het arrest Martinez Vidal volgt, dat het door de Deense arts verrichte onderzoek de belangrijkste plaats dient in te nemen bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Voornoemde bepaling brengt niet alleen mee dat de medische controle dient plaats te vinden in Denemarken, maar eveneens dat de resultaten van het in Denemarken verrichte onderzoek, de fundamenten dienen te vormen voor de in Nederland te bepalen mate van arbeidsongeschiktheid. Dit betekent volgens appellante dat het oordeel van de Deense arts over de mate van arbeidsongeschiktheid overgenomen had moeten worden. Verder is nog aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de functie van inpakster koekjes wel geschikt zou zijn voor appellante.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 51 van de Verordening wordt, wanneer een rechthebbende op een uitkering bij arbeidsongeschiktheid op het grondgebied van een andere lidstaat woont of verblijft dan die waar zich het orgaan bevindt dat de uitkering verschuldigd is, de administratieve en medische controle op verzoek van dit orgaan uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende, op de wijze als bepaald in de wettelijke regeling die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast. Uit het hiervoor genoemde arrest Martinez Vidal volgt dat dit artikel aldus verstaan dient te worden dat wanneer het bevoegde orgaan een medische controle of medisch onderzoek noodzakelijk acht, zo'n onderzoek verricht moet worden door het orgaan van de woonplaats. Wanneer het bevoegde orgaan daartoe vervolgens aanleiding ziet, kan het -wanneer de gezondheidstoestand van betrokkene dit toelaat- zelf een aanvullend onderzoek (laten) verrichten in het land waar het bevoegde orgaan is gevestigd.

De Raad stelt vast dat gedaagde bij de voorbereiding van het bestreden besluit conform dit arrest heeft gehandeld door eerst een medisch onderzoek van appellante in Denemarken te laten verrichten. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat uit artikel 51 van de Verordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie EG niet voortvloeit dat een eventueel oordeel van de arts van het orgaan van de woonplaats over de mate van arbeidsongeschiktheid overgenomen moet worden door het bevoegde orgaan. Zoals het Hof in het arrest Martinez Vidal ook heeft overwogen bestaan er grote verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot arbeidsongeschiktheid. De mate van arbeidsongeschiktheid zal daarom steeds op grond van de wetgeving van de bevoegde lidstaat vastgesteld moeten worden door het bevoegde orgaan. Hieruit volgt reeds dat het oordeel van de Deense orthopeed Lund over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, welk oordeel is gebaseerd op Deense maatstaven, niet door gedaagde gevolgd hoeft te worden. Gedaagde heeft naar

's Raads oordeel terecht op grond van de bevindingen van de Deense arts, met toepassing van de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetgeving, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld.

Voorts ziet de Raad evenals de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van appellantes belastbaarheid. Daarbij acht de Raad van belang dat door de verzekeringsarts en in de rapportage van ZVN Advies rekening is gehouden met de bevindingen van de Deense orthopeed Lund. Voorts zijn door of namens appellante ook in hoger beroep geen gegevens aangedragen op grond waarvan aangenomen moet worden dat de belastbaarheid van appellante is overschat.

Ten aanzien van de aan appellante voorgehouden functies is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende gemotiveerd is aangegeven waarom de belasting in de functie van samenstelster passend kan worden geacht voor appellante. In deze functie is ten aanzien van het aspect buigen of torderen weliswaar sprake van een hogere frequentie, maar de mate waarin gebogen of getordeerd moet worden is duidelijk beperkter dan de maximale belastbaarheid van appellante. De Raad is van oordeel dat aldus voldoende is gemotiveerd dat deze functie passend is te achten. Dit betekent dat, daargelaten nog de vraag of de functie van inpakster koekjes passend is te achten voor appellante, in ieder geval voldoende functies aan appellante zijn voorgehouden om de schatting op te kunnen baseren.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, moet geconcludeerd worden dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

RG