Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
30-03-2004
Zaaknummer
03/4465 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief is niet aan te merken als besluit, omdat deze niet is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4465 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inko-men in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 31 juli 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 februari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde, mr. Ammerlaan voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in het geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden, welke hij, gelet op de inhoud van de gedingstukken, als vaststaand aanneemt.

Bij besluit van 28 juni 2001 is aan gedaagde met ingang van 2 mei 2001 een WW-uitkering toegekend. In verband met de ondersteuning bij het zoeken naar werk is op verzoek van appellant door de adviseur van Start Reïntegratie een voorstel voor een arbeidsintegratieplan opgesteld, hetwelk op 27 maart 2002 aan gedaagde is toegezonden en aan appellant ter goedkeuring is voorgelegd. Bij brief van 7 mei 2002 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld vooralsnog niet akkoord te kunnen gaan met het door de consulent van Start Reïntegratie ingediende arbeidsintegratieplan omdat niet is aangetoond dat de voorgestelde scholing noodzakelijk is om gedaagde te reïntegreren op de arbeidsmarkt. Daarbij is tevens medegedeeld dat aan Start Reïntegratie is verzocht contact met gedaagde op te nemen ten einde één en ander nog eens te bezien.

Na daartegen door gedaagde gemaakt bezwaar heeft appellant het bezwaar bij besluit van 9 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 7 mei 2002 geen publiek-rechtelijke rechtshandeling behelst en derhalve geen besluit is, zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het be-streden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, alsmede appellant veroordeeld tot vergoeding aan gedaagde van de proceskosten en het betaalde griffierecht. In deze uitspraak, waarin appellant als verweerder is aange-duid en gedaagde als eiser, wordt het volgende overwogen:

"In de brief van 7 mei 2002 heeft verweerder immers (mede) aan eiser medegedeeld dat de door hem (en Start) gewenste (om)scholing niet noodzakelijk wordt geacht. Artikel 76 WW bepaalt -kort gezegd- dat indien verweerder van oordeel is dat een opleiding of scholing noodzakelijk is, de werknemer die recht heeft op een WW-uitkering die opleiding of scholing kan volgen terwijl het recht op uitkering blijft bestaan. De wet verleent verweerder mitsdien de bevoegdheid een WW-uitkering te (blijven) verstrekken, ook indien de betrokkene niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden omdat hij een scholing of opleiding volgt. Doordat verweerder schriftelijk heeft vastgelegd dat de voorgestelde scholing naar zijn oordeel niet noodzakelijk is, is het rechtsgevolg ingetreden dat eiser niet met behoud van het recht op WW-uitkering de voorgestelde scholing kan volgen. Gelet hierop dient de brief van 7 mei 2002 wel degelijk als een beslissing gericht op rechtsgevolg en derhalve als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb te worden aangemerkt."

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is -samengevat- aangevoerd dat in de brief van 7 mei 2002 alleen te lezen valt dat appellant vooralsnog niet akkoord gaat, omdat (nog) niet is aangetoond dat de voorgestelde scholing noodzakelijk is om gedaagde te reïntegreren op de arbeidsmarkt. Nu het onder-zoek naar die noodzaak nog niet volledig was afgerond, is aan Start de vraag voorgelegd om een en ander opnieuw te bezien, hetgeen heeft geleid tot een nieuw reïntegratieplan waarin het scholingsvoorstel is weggelaten.

De Raad overweegt het volgende.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de brief van 7 mei 2002 slechts de mededeling bevat dat appellant vooralsnog niet akkoord gaat met het voorgelegde integratieplan omdat de noodzaak van de door gedaagde gewenste scholing in dat plan nog niet is aangetoond en dat ter zake nog nader onderzoek diende plaats te vinden. Gelet op het door appellant gemaakte voorbehoud en de aankondiging dat aan Start Reïntegratie is verzocht één en ander nog eens nader te bezien, kan de brief van 7 mei 2002 niet worden gezien als de uitkomst van een afgeronde bestuurlijke besluitvorming en is deze mitsdien niet gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg. Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de brief van appellant van 7 mei 2002 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dat derhalve de daartegen gerichte bezwaren door appellant terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep alsnog onge-grond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

GdJ

272