Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2004
Datum publicatie
29-03-2004
Zaaknummer
01/4991 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische besluitenregeling; kennisneming medische stukken door advocaat werkgever

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:32
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/145
JB 2004/162 met annotatie van A. van Eijs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4991 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[naam V.O.F.], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 14 december 1999 (hierna: het premiebesluit) is aan gedaagde meegedeeld dat de door haar te betalen gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in het jaar 2000 is vastgesteld op 1,54%. Bij de berekening van die premie is rekening gehouden met een in 1998 aan de heer [naam werknemer], voormalig werknemer bij gedaagde (hierna: de werknemer), uitbetaalde WAO-uitkering.

Namens gedaagde heeft R.A.M. van der Velden, werkzaam bij het gelijknamige fiscaal-administratief-bedrijfseconomisch adviesburo, tegen het premiebesluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 april 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 1 augustus 2001, nummer SBR 00/719, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Appellant is daarbij veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht en proceskosten.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft R.A.M. van der Velden voornoemd een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Desgevraagd heeft de werknemer kenbaar gemaakt dat hij geen toestemming geeft om zijn medische gegevens aan de werkgever te verstrekken.

De Raad heeft R.A.M. van der Velden voornoemd ervan in kennis gesteld dat toepassing dient te worden gegeven aan

artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat hij als gemachtigde van de werkgever inzage dient te krijgen in de zich in het dossier bevindende medische stukken, waartoe hem, niet zijnde advocaat of arts, bijzondere toestemming is verleend als bedoeld in die bepaling.

In reactie daarop heeft R.A.M. van der Velden enkele vragen gesteld over de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, welke vragen de Raad heeft beantwoord. In reactie daarop heeft R.A.M. van der Velden meegedeeld dat het voor hem niet mogelijk is om te voldoen aan de geheimhoudingsplicht van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb gezien de met zijn cliƫnten gesloten overeenkomst. Desgevraagd heeft hij de door hem ontvangen medische stukken teruggestuurd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 25 november 2003, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De werknemer is op 1 oktober 1995 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker supermarkt in dienst van gedaagde. Bij besluit van 13 januari 1997 is aan hem per einde wachttijd met ingang van 30 september 1996 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het in rubriek I genoemde premiebesluit is rekening gehouden met de aan de werknemer in 1998 uitbetaalde WAO-uitkering. Appellant heeft aan gedaagde in de bezwaarprocedure tegen dat besluit geen inzage gegeven in het medisch dossier van de werknemer omdat deze daartoe geen toestemming had gegeven. Er is alleen een transcriptie van de medische gegevens aan gedaagde gezonden. Namens gedaagde is in het bezwaarschrift meegedeeld dat zij niet bereid is een arts-gemachtigde aan te wijzen als bedoeld in artikel 88c van de WAO omdat zij dit in strijd acht met het recht van de werkgever op rechtsbijstand door een persoon van haar keuze. Appellant heeft het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op de daartoe in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen, heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat de rechtsgang met betrekking tot medische besluiten voorzover neergelegd in de artikelen 88c en 88g van de WAO, in strijd is met artikel 7:12 van de Awb en artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154), hierna: het EVRM. De rechtbank heeft het bestreden besluit om deze reden vernietigd.

Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift gewezen op enkele uitspraken van de Raad, onder meer de uitspraak van 20 juli 2001, LJN: AB2857, gepubliceerd in RSV 2001/205, waarin is bepaald dat de toepassing van de medische besluitenregeling als neergelegd in de artikelen 88c en 88g van de WAO een schending oplevert van artikel 6 van het EVRM en dat wel aan de eisen van laatstgenoemde bepaling wordt voldaan indien in procedures in beroep en in hoger beroep door de admini- stratieve rechter, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb wordt bepaald dat inzage in dan wel kennisname of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft verkregen en dat deze gemachtigde(n) -voorzover het de medische aspecten betreft- in de plaats van de werkgever treedt (treden).

Appellant heeft in hoger beroep alsnog de medische stukken ingezonden en aan de Raad verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, zodat de gemachtigde van gedaagde alsnog kennis kan nemen van de medische stukken.

De Raad heeft, toepassing gevend aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, de medische stukken aan R.A.M. van der Velden gezonden. Zoals al in rubriek I is aangegeven heeft deze geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om kennis te nemen van de medische stukken en heeft hij die stukken aan de Raad teruggestuurd.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte aan haar oordeel dat de medische besluitenregeling in strijd is met artikel 6 van het EVRM de vernietiging van het bestreden besluit heeft verbonden. In dit verband volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak van 13 februari 2002, LJN: AD9974, gepubliceerd in USZ 2002/101, waarin het oordeel is neergelegd dat een bestuursorgaan, anders dan de rechter, niet gehouden kan worden geacht om op grond van artikel 6 van het EVRM af te wijken van de medische besluitenregeling en met name artikel 88c van de WAO, in het kader van de heroverweging in bezwaar van een eerder genomen besluit.

De aangevallen uitspraak kan om deze reden niet in stand blijven.

In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, ziet de Raad geen aanleiding om het geding terug te wijzen naar de rechtbank.

De grief van gedaagde tegen het bestreden besluit richt zich met name tegen het feit dat het voor haar, doordat zij geen inzicht heeft gekregen in de medische gegevens, onmogelijk is om te beoordelen of de aan de werknemer uitbetaalde WAO-uitkering op goede gronden is toegekend en voortgezet.

In artikel 87e van de WAO is bepaald dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de vaststelling van de premie niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. In dit geval kan evenwel artikel 87e van de WAO niet aan gedaagde worden tegengeworpen omdat zij ten tijde dat de WAO-uitkering aan de werknemer werd toegekend niet de mogelijkheid had om daartegen in bezwaar en beroep te gaan. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 20 juli 2001, LJN: AB2858, gepubliceerd in RSV 2001/232.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde grief van gedaagde overweegt de Raad dat door de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb aan de gemachtigde van gedaagde de mogelijkheid is geboden om kennis te nemen van de medische stukken. Dat hij daarvan geen gebruik heeft willen maken komt voor zijn risico.

De Raad heeft uit de beschikbare gegevens niet kunnen afleiden dat de toekenning van de WAO-uitkering en de voortzetting daarvan in het jaar 1998 niet op goede gronden zou hebben plaatsgevonden. Uit de medische gegevens blijkt dat de werknemer door een verkeersongeval ernstig letsel heeft opgelopen en dat hij in 1998 nog was opgenomen in een revalidatiekliniek zodat er voor hem geen benutbare mogelijkheden tot arbeid waren.

Noch gesteld, noch gebleken is dat het premiebesluit op andere gronden onjuist zou zijn. Uit het bovenstaande volgt derhalve dat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen dat premiebesluit ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) M.H.A. Jenniskens