Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
03/472 WUBO + 04/839 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatie op internetsite betreft uitsluitend algemene informatie, waaraan geen aanspraken kunnen worden ontleend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/472 WUBO + 04/839 WUBO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 18 december 2002, kenmerk JZ/F/2002/928, (besluit I) heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. Vervolgens heeft verweerster nogmaals, nu onder dagtekening 25 maart 2003, kenmerk JZ/F/2003/, (besluit II) een besluit ter uitvoering van de Wet genomen.

In het aanvullend beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres het met die beide besluiten niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk overgelegd.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 22 januari 2004. Aldaar is namens eiseres verschenen haar echtgenoot T. Eisses. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, die is geboren op 26 augustus 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en haar een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en een voorziening voor psychotherapie toe te kennen. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen ten gevolge van hetgeen zij heeft moeten meemaken gedurende de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende zogenoemde Bersiap-periode.

Bij besluit van 29 mei 2001 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Daartoe is overwogen dat de tewerkstelling in een sojafabriek tijdens de Japanse bezetting niet onder de werking van de Wet valt en dat ten aanzien van haar evacuatie door Engelsen naar de Vioslaan te Batavia tijdens de Bersiap-periode niet is komen vast te staan dat dit onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaats-gevonden. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerster haar standpunt ten aanzien van de genoemde gebeurtenissen bij besluit I gehandhaafd. In het bijzonder is daarbij nog overwogen dat de directe betrokkenheid van eiseres bij een luchtgevecht, het getuige zijn van mishandeling van derden en het meemaken van beschietingen op weg naar school, buiten haar eigen verklaring, niet is bevestigd of aannemelijk gemaakt.

Na een schriftelijke reactie van eiseres op het - na besluit I - toegezonden verslag van de hoorzitting heeft verweerster een nader onderzoek ingesteld en bij besluit van 25 maart 2003 (besluit II) een aanvullende beslissing op bezwaar gegeven. Daarin is overwogen dat, vanwege een aantal tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen, onvoldoende bevestiging is verkregen van levensbedreigende omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de evacuatie naar de Vioslaan in Batavia. Voorts heeft verweerster, naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, aangegeven dat op haar internetsite een clausule is opgenomen, waarin wordt vermeld dat geen rechten kunnen worden ontleend aan de teksten die op die site zijn gepubliceerd.

In het door eiseres ingediende aanvullend beroepschrift wordt - kort samengevat -aangevoerd dat zij in haar belangen is geschaad doordat het verslag van de mondelinge toelichting haar niet tijdig is toegezonden. Voorts is zij van mening dat zij wel aanspraken kan ontlenen aan de mededelingen op de website van verweerster en acht zij op basis van de omtrent haar beschikbare gegevens en de getuigenverklaringen in voldoende mate vaststaan dat zij is getroffen door oorlogsgeweld.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kunnen houden. Hij overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van besluit I

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang en kort samengevat, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan: degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, dan wel gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeld-heden in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht.

Ten aanzien van de grief van eiseres dat zij in haar belangen is geschaad doordat het verslag van de hoorzitting door verweerster op een laat moment is toegezonden en dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit de wettelijke beslistermijnen zijn over-schreden, heeft verweerster ter zitting erkend dat de besluitvorming in dit opzicht niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en heeft zij daarvoor verontschuldigingen aangeboden. Nu overigens niet is gebleken dat eiseres hierdoor in haar processuele belangen is geschaad, ziet de Raad hierin onvoldoende grond om op basis daarvan tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan.

Wat betreft de door eiseres aangevoerde grond dat zij aanspraken zou kunnen ontlenen aan de informatie welke zij heeft verkregen door raadpleging van de internetsite van verweerster overweegt de Raad het volgende. De informatie, die verweerster op haar internetsite en in haar brochures verstrekt, betreft uitsluitend algemene informatie over de uitvoering van de Wet. Deze informatieverstrekking laat onverlet dat verweerster aan de hand van concrete omstandigheden zal dienen te beoordelen of de Wet in een voor-liggend geval van toepassing is. Mitsdien kan eiseres louter op basis van die algemene informatie geen aanspraken ontlenen op toepassing van de Wet. De omstandigheid dat, zoals nader is gebleken, ten tijde hier van belang op de internetsite geen voorbehoud is gemaakt dat aan die informatie geen rechten kunnen worden ontleend, doet aan het voorgaande niet af.

In beroep heeft eiseres voorts grieven naar voren gebracht met betrekking tot de wijze waarop verweerster de evacuatie naar de Vioslaan en de beschietingen op weg naar school heeft beoordeeld. Wat betreft de evacuatie is de Raad met verweerster van oordeel dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat deze evacuatie onder levensbedreigende omstandigheden, te weten beschietingen, heeft plaatsgevonden. De verkregen getuigenverklaringen en de gegevens in relatiedossiers van familieleden bieden onvoldoende grondslag om op basis daarvan tot de conclusie te komen dat beschietingen voorafgaand aan of tijdens de evacuatie hebben plaatsgevonden. Daaruit blijkt veeleer dat sprake was van een redelijk georganiseerd vertrek met trucks en goed geoutilleerde Britse militairen naar een veilige lokatie. Van evacuatie onder levensbedreigende omstandig-heden kan dan ook niet worden gesproken.

Met betrekking tot de door eiseres gestelde beschietingen op weg naar school onder-schrijft de Raad eveneens het standpunt van verweerster nu de verklaringen van eiseres en die van de door verweerster benaderde getuigen ten aanzien van deze gebeurtenis niet consistent zijn. Hetgeen hiertegen namens eiseres ter zitting is aangevoerd, te weten dat de getuigenverklaringen betrekking hebben op verschillende beschietingen, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden nu in die getuigenverklaringen geen onderscheid tussen verschillende beschietingen kan worden gevonden. Aan de overgelegde getuigenver-klaringen kan dan ook niet die betekenis toekomen die eiseres daaraan toegekend wenst te zien.

De Raad kan, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, verweersters standpunt dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, niet onjuist achten. Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd en ter zitting nader is toegelicht, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

Daarmee is niet miskend dat eiseres gedurende de oorlogsjaren en de daarop volgende Bersiap-tijd angstige tijden heeft meegemaakt. De erkenning als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet is evenwel gebonden aan specifieke, in de Wet genoemde gebeurtenissen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van besluit I geen grond, zodat het ingestelde beroep in zoverre ongegrond dient te worden verklaard.

Ten aanzien van besluit II

De Raad overweegt dat uit het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit wordt beslist. De Raad wijst er in dit verband op dat als het bezwaar ontvankelijk is, artikel 7:11 van de Awb voorschrijft dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt, terwijl artikel 7:12 van de Awb bepaalt dat de beslissing op het bezwaar-schrift dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van het besluit op bezwaar wordt vermeld. De Raad is van oordeel dat, gelet op de onderlinge samenhang van deze bepalingen het in strijd met het bepaalde in de Awb moet worden geacht als op het bezwaar tegen een primair besluit met meer dan één besluit wordt beslist. Nu de beslissing op bezwaar reeds bij besluit I is gegeven, kan besluit II - dat eveneens een beslissing op hetzelfde bezwaarschrift bevat - niet in stand blijven. Overigens merkt de Raad op dat hij zich kan verenigen met de daarin door verweerster gegeven aanvullende motivering op haar besluit I.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welke worden begroot op een bedrag van € 19,12 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen besluit I ongegrond;

Verklaart het beroep tegen besluit II gegrond en vernietigt dit besluit;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 19,12,

te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.